Requiem voor het woestijnleven; Marcel Kurpershoek in Saoedi-Arabië

Marcel Kurpershoek: De laatste bedoeïen. Uitg. Meulenhoff, 143 blz. Prijs ƒ 29,90.

Veel boekhandels hebben een kast vol reisverhalen van mensen die moedwillig op reis zijn gegaan: om het reizen zelf, en om erover te schrijven. De eisen die dit genre stelt zijn een onalledaagse bestemming, enige voorstudie en wat zelfgekozen ongerief: te voet door Sikkim, per vrachtboot over de Kongo of desnoods nog eens met de trein door Siberië.

In die kast is ook De laatste bedoeïen van Marcel Kurpershoek te vinden, hoewel het spot met alle wetten van het reisverhaal. De schrijver is 'gewoon' naar Saoedi-Arabië gevlogen, dat hij kende omdat hij er een aantal jaren als diplomaat verbleef. Een luxe terreinwagen met chauffeur stond tot zijn beschikking om hem naar de verre Dawaasir-vallei te brengen, waar hij iets te doen had. Hij beweegt zich met vanzelfsprekend gemak en beschijft zijn belevenissen alsof die zich afspelen in het nabije buitenland.

Je zou bijna vergeten dat Saoedi-Arabië, buiten enkele steden, een zeer moeilijk te bereizen land is. Diep doordringen in de lokale cultuur van de binnenlanden, dat lukt slechts enkele mensen per eeuw. Kurpershoek is een van die zeer weinigen. Globetrotters, maar ook antropologen, kunnen hem benijden: om het bravourestukje, om zijn diepgaande kennis van taal en cultuur, om wat hij daar gedaan heeft, en natuurlijk om dit voortreffelijk boek. Het is nog beter dan zijn eerdere werk, Diep in Arabië.

Vier jaar geleden heeft Kurpershoek zich toegelegd op het verzamelen en vastleggen van mondeling overgeleverde bedoeïenenpoëzie, in het holst van het Arabisch schiereiland. Dat project heeft geresulteerd in een wetenschappelijk uitgave van de verzen van Dindaan, de onbetwiste dichtervorst van de woestijn. Omdat de schrijver zijn collectie nog wat wilde aanvullen is hij weer bij zijn held op bezoek gegaan, maar nu heeft hij ook gezocht naar een waardige opvolger van de stokoude Dindaan. Een bedoeïen uit één stuk heeft hij niet meer gevonden; de onversneden woestijncultuur die Dindaan belichaamde is op sterven na dood. Kamelen zijn niets meer waard, de fiere ruiters berijden nu een pick-up truck, worden oppasser bij een grote heer of betrekken een flatje in de stad. Het verhaal beweegt zich dan ook steeds verder bij Dindaan vandaan en eindigt bij diens tegenpool Saoed, de chauffeur die de schrijver van overheidswege is opgedrongen: een pseudo-bedoeïen met een kleine ziel, een hoveling en een snob die vooral geen zand in zijn auto wil hebben.

Tussen deze stukken staan portretten van mindere dichters en van treurige Egyptische gastarbeiders. Ook Saoedi-Arabië wordt scherp getekend: een versteend land waarin de inwoners tegen wil en dank vereend zijn onder het koningshuis en een zwarte-kousenvariant van de islam. Kurpershoek begrijpt dat de ineenstorting van de staat zal leiden tot een ouderwetse stammenstrijd met de modernste wapens. Tegen wil en dank moet hij dus hopen dat het koninkrijk met zijn knellende pax islamica stand zal houden, maar zijn hart ligt bij de bedoeïenen.

Al ontbrak het Kurpershoek in materieel opzicht aan niets, hij moet heel wat sociaal ongerief hebben doorstaan: te snel rijdende auto's, nooit privacy, verplichte omgang met onprettige lieden, eten op tijdstippen en in hoeveelheden die niet schikten. Maar als doorgewinterd diplomaat is hij wel iets gewend, en hij acht het beneden zich de lezer lastig te vallen met de doorstane ontberingen. Slechts aan het eind geeft hij even toe: 'Ik verlang desperaat naar een hotel en alleen-zijn.' Maar die verzuchting valt haast samen met zijn desillusie: geen bedoeïendichter meer te vinden.

Naar een zo buitenissig land gaan en daar een laconiek, persoonlijk maar toch discreet blijvend verslag over schrijven is een prestatie van de eerste orde. Kurpershoeks vanzelfsprekende savoir-faire en zijn grote beheersing van de Arabische taal en cultuur wekken jaloezie maar irriteren niet, omdat zij worden gecompenseerd door een jongensachtige, nu eens argeloze, dan weer haast baldadige toon.

Kurpershoek zal wel altijd heimwee houden naar een dichter als Dindaan, die zich op een moment van apotheose almachtig weet: 'De Barmhartige dicteerde mij de verzen in klare taal (-). Ik verzwolg hemel en aarde, zonder mijn kaken open te sperren; met Allahs troon erbij een hapje voor mijn holle kies.' Als persoonlijke zoektocht mag zijn reis mislukt zijn - er zijn immers alleen nog maar halve dichters en verwende stadsmensen -, zijn queeste heeft een geraffineerd en ontroerend requiem voor het woestijnleven opgeleverd. De laatste bedoeïen is meer dan een reisboek; het verdient een plaats bij de literatuur.

UIT: MARCEL KURPERSHOEK, DE LAATSTE BEDOEïEN

Zo leefden en stierven zij: steil, rechtop, buigend alleen voor Allah, zonder twijfel, spijt of zelfverwijt. De weke, rotte zwakheid die bij ons doorgaat voor menselijkheid hadden zij uit hun ingewanden gesneden en vervangen door de roestvrijstalen krachtbron van het geloof. Kleinkinderen zaten aan hun voeten te luisteren naar spannende verhalen over snelle kameelexpedities van vele honderden kilometers waarmee de ichwaan de vijand verrasten (-). De kinderen luisterden in het besef dat zij nooit de statuur van deze pioniers en grondleggers zouden bereiken, dat de aura van de ichwaan slechts flauwtjes op hen afstraalde. Navolging in respect en taaie bestrijding van nieuwlichterij en ander onkruid dat het erfgoed dreigt te overwoekeren, was de historische taak van volgende generaties.