Nederlands sociaal stelsel in de pas met de buren

Sociale zekerheid: Stelsels en regelingen in enkele Europese landen.Door Marcel Einerhand e.a. Uitg. VUGA, Den Haag, Prijs ƒ 46,- ISBN 90 5250 900 X.

In het debat over de concurrentiepositie van Nederland wordt vaak gesteld dat ons land door de hoge sociale lasten een duurte-eiland is in Europa. Uit het onlangs verschenen boek Sociale zekerheid: Stelsels en regelingen in enkele Europese landen blijkt dat deze opvatting aanzienlijk genuanceerd moet worden. Een Nederlander die werkloos wordt, heeft het niet per definitie beter dan een lotgenoot in een ander Europees land. De uitkeringen zijn in Nederland weliswaar hoger, maar in bijvoorbeeld Frankrijk en Duitsland bestaat een uitgebreid stelsel van individuele aanvullende voorzieningen die niet voorkomen in de meeste statistieken.

Vooral werkgevers huldigen het idee dat de sociale lasten als een molensteen om hun nek hangen wanneer zij hun situatie vergelijken met die van collega's over de grens. VNO-voorzitter Rinnooy Kan stelde daarom vorig jaar voor elke nieuwe regeling te toetsen aan de situatie in de ons omringende landen. Het ministerie van Sociale zaken en werkgelegenheid (SZW) bedient hem met dit gedegen overzichtswerk op zijn wenken. Onder redactie van Marcel Einerhand, ambtenaar op het ministerie, zijn de sociale regelingen van ons land en de buurlanden naast elkaar gezet.

De vergelijking blijkt uitermate complex. Gerekend naar het percentage van het Bruto National Product (BNP) loopt Nederland op het eerste gezicht inderdaad uit de pas. In ons land beslaan de uitgaven aan sociale zekerheid in 1992 33 procent van het nationaal produkt, terwijl het Europese gemiddelde 27 procent bedraagt. Alleen Denemarken komt hierbij in de buurt met 31,4 procent.

De stelsels in de landen zijn echter dusdanig verschillend, dat deze cijfers een forse vertekeningen van de werkelijkheid geven - iets waarvoor waarschuwt het ministerie van SZW overigens al jaren waarschuwt. Nederland betaalt bijvoorbeeld nagenoeg alle uitkeringen bruto uit, terwijl in andere landen de bedragen vaak netto worden verstrekt. De auteurs stellen dat een vergelijking beter mogelijk is als de belastingen en premies betaald over uitkeringen, niet worden meegenomen in de Collectieve Lastendruk (CLD).

Daarnaast bestaan er verschillen in de omvang van de sociaal-fiscale maatregelen, bijvoorbeeld aftrekposten voor kinderen of kinderbijslag. Belastingmaatregelen verlagen de lastendruk, terwijl kinderbijslag deze verhoogt, omdat deze tot de sociale zekerheid wordt gerekend. De conventioneel berekende lastendruk kan door dergelijke verschillen aanzienlijk oplopen. Sommige landen kennen bijna helemaal geen kinderbijslag, maar ouders mogen er wel een vast en - in vergelijking met de Nederlandse kinderbijslag - hoog bedrag van de belastingen aftrekken. Een juiste vergelijking van deze maatregelen is bijna onmogelijk. Zowel nationaal als internationaal is er geen overeenstemming over de definitie en afbakening van deze belastingtechnische maatregelen.

Als derde verklaring voor het verschil noemen de auteurs het feit dat niet alle elementen van sociale bescherming worden meegenomen in het bepalen van het CLD. Dit blijkt onder andere in het wettelijk verplicht doorbetalen van het loon tijdens de eerste ziekteweken. In Duitsland dient dit de eerste zes weken van ziekte te gebeuren, terwijl de kosten van deze uitkeringen niet worden meegenomen bij het bepalen van de lastendruk.

De ambtenaren van sociale zaken doen een poging tot vergelijking na invoering van diverse correcties. De verschillen blijken dan aanzienlijk kleiner. Voor 1989 geldt bijvoorbeeld dat Nederland ongecorrigeerd 31 procent van het BNP aan het sociale stelsel uitgaf. Duitsland 27,5 en het Verenigd Koninkrijk 21,7 procent. Gecorrigeerd blijven de Duitse uitgaven gelijk terwijl het Nederlandse niveau daalt tot 28,4 en het Engelse stijgt naar 23,5. De Nederlandse lastendruk is dus minder dan een procent hoger dan het Duitse, terwijl het verschil met de Engelse situatie wordt gehalveerd. Nederland is nog steeds duur, maar het verschil lijkt overkomelijk.

In geheel Europa zijn sociale voorzieningen al sinds het ontstaan een mengeling van overheidsmaatregelen en particulier initiatief. Dit zorgt voor de vertroebeling van de cijfers, en dat betekent eveneens dat het inkomen van Europese uitkeringsgerechtigden moeilijk te vergelijken is. Het is te hopen dat de onderzoekers in volgende artikelen ook de totale verdeling van de sociale zekerheidsgelden over de verschillende inkomensgroepen meenemen. Doordat dan de rol van vakbonden en verzekeringsmaatschappijen in de stelsels duidelijk wordt, kan meer worden gezegd over de individuele positie van een uitkeringstrekker.

Te verwachten valt wel dat in Nederland vooral diegenen die zich aan de onderkant van de arbeidsmarkt bewegen, voordeel hebben bij het hoge minimumloon in ons land - waaraan de uitkeringen zijn gekoppeld.

Daarnaast geldt dat in bijvoorbeeld Groot-Brittannië beter-betaalden meer mogelijkheden hebben zich bij te verzekeren voor pensioenen of arbeidsongeschiktheid, terwijl minder betaalden daartoe, door het lage loonpeil, geen kans zien.

Ondanks de trend van de afgelopen jaren waarbij de overheid de verantwoordelijkheid overdraagt aan de private sector, blijkt dat het overheidsaandeel in de financiering in bijna alle landen nog niet echt is teruggelopen. Dit is mogelijk te wijten aan het de omstandigheid dat de onderzoekers alleen de regelingen tot 1990 hebben bekeken. De literatuur gaf hun niet meer mogelijkheden, zo merken zij op. Alleen in België daalde het deel van de overheid met twaalf procent. Helaas kunnen de auteurs de oorzaak van deze daling niet aangeven.

Wat betreft de stijging van de sociale lasten tussen 1980 en 1992 loopt Nederland geheel in de pas. In de Europese Gemeenschap stegen deze als geheel van 24,4 naar 27,1 procent van het BNP. Met een stijging van 2,7 kent Nederland een groei die zich bevindt rond het EU-gemiddelde. Frankrijk ligt daar met 3,8 enigszins boven, terwijl armere Zuideuropese landen als Spanje, Italië en Griekenland een forse stijging kennen (respectievelijk met bijna 5, 6 en 8 procent). Dit laatste komt doordat deze landen lange tijd zeer weinig uitgaven aan sociale zekerheid.

Het boek Sociale stelsels is een handig naslagwerk voor iedereen die beleidsmatig met de sociale zekerheid te maken heeft. Veel specifieke kenmerken van de landen komen ter sprake, waarbij de motivatie waarom landen voor een bepaalde uitvoering kozen, niet is vergeten. Het boek biedt eveneens een bron van ideeën op basis waarvan het Nederlandse stelsel kan worden aangepast. Anderzijds besloot Duitsland onlangs naar Nederlands voorbeeld tot het invoeren van uitzendbureaus gekoppeld aan de arbeidsbureaus (de Start-formule). Op dezelfde wijze kunnen Nederlandse politici uit dit boek inspiratie halen voor een wijziging van het nationale stelsel.