Inspiratie uit de platenkast; De vernuftige jazz van de Young Lions

Jazz is volgens trompettist Wynton Marsalis de klassieke muziek van de Afro-Amerikaanse cultuur. De Young Lions, zoals de Amerikaanse jazzmusici van de nieuwste generatie worden genoemd, lijken het met hem eens te zijn. Verschillende Young Lions, onder wie James Carter, Joshua Redman en Roy Hargrove, treden op tijdens het North Sea Jazz Festival dat op 14, 15 en 16 juli in Den Haag wordt gehouden. Hun muziek is niet altijd even speels als je van welpen zou verwachten.

Teodross Avery Quartet: In other words (GRP 97982); Christian McBride: Gettin' to it (Verve 523989-2); James Carter Quartet: The Real Quietstorm (Atlantic 7567 82742-2), JC on the set (DIW 476983-2) ; Jesse Davis: High Standards (Concord Jazz CCD 4624); Nicholas Payton: From this moment (Verve 527073-2); Joshua Redman Quartet: Moodswing (Warner Bros. 9362-45643-2); Stephen Scott Trio: Renaissance (Verve 523863-2).

Payton speelt op het North Sea Jazz Festival mee met organist Jimmy Smith; Jesse Davis met het kwartet van Hank Jones. De rest treedt (o.a.) op met de eigen groep.

Bassist Christian McBride oogt als een goed verzorgde man van in de veertig. In werkelijkheid is hij amper 23. Ingespannen maar beheerst staat hij te strijken en te plukken op zijn contrabas. McBride kan zich tot de meest gevraagde bassisten in de hedendaagse jazzscene rekenen. In de vijf jaar die zijn carrière nu duurt, werkte hij mee aan ruim tachtig cd-opnamen. Op het North Sea Jazz Festival is hij onder meer te horen in zijn eigen groep met pianist Stephen Scott (25). Op zijn beurt treedt McBride weer op met het Stephen Scott Trio. McBride, Scott en een groot aantal andere jonge muzikanten, onder wie saxofonist Teodross Avery (23) en trompettist Nicholas Payton (19) staan bekend als 'Young Lions'. Deze term werd het eerst gebruikt voor een serie hardbop-concerten van the Harper Brothers met Stephen Scott, tien jaar geleden in de Newyorkse Blue Note-club. Jonge muzikanten die sindsdien de jazztraditie nieuw leven in trachten te blazen, krijgen dit etiket opgeplakt. Toch is hun muziek niet altijd even speels als je van welpen zou verwachten.

Niet bekend

Een Young Lion heeft meestal een goede muziekopleiding genoten - aan het Berklee College of Music in Boston of de Juilliard School of Music in New York - hij is jong, zwart en fotogeniek en hij zweert bij mineraalwater. Volgens goed Amerikaans gebruik toont hij voor al deze gaven zijn dankbaarheid jegens God of de schepper, die alles mogelijk maakt. Zijn ouders komen op de tweede plaats.

De eerste Young Lion die internationaal doorbrak was Roy Hargrove. Deze trompettist had met zijn combinatie van een modieus uiterlijk en stuwende jazz met pakkende thema's succes bij het (jongere) jazzpubliek. Op het North Sea Jazz Festival 1995 heeft hij een groep om zich heen verzameld met collega Lions altsaxofonist Jesse Davis en (alweer) Stephen Scott en Christian McBride. De debuutcd van McBride, Gettin' to it, is om vergelijkbare redenen een commercieel succes.

Muzikanten die voldoen aan het Young Lion-profiel worden door platenmaatschappijen gepushed om zo snel mogelijk cd's te maken. De tenorist Joshua Redman schreef in drie jaar tenminste vijf cd's op zijn naam. Net zoals Davis en bijna alle andere Young Lions, legt Redman bij zijn cd's uitgebreide verklaringen af, hoewel hij erbij zegt dat zijn muziek eigenlijk voor zichzelf zou moeten spreken. Mensen vinden jazz te moeilijk, schrijft hij in het boekje bij Moodswing, zijn derde en best verkochte cd. Redman, die sociologie studeerde aan Harvard University, adviseert zijn luisteraars minder na te denken. Zijn muziek mag dan vernuftig in elkaar zitten, het gaat om het gevoel, de mood, die ieder stuk teweegbrengt. En dan doelt hij niet op 'Mood Indigo' of een andere oude deun. Redman heeft als een van de weinigen zeventig minuten weten te vullen met louter eigen stukken.

Respect

Een instituut aan wie deze lichting jazzmuzikanten heel wat dank verschuldigd is, is trompettist Wynton Marsalis (33) en diens Lincoln Center Jazz Orchestra, waarbij een groot aantal in de leer is geweest. Al tien jaar vertelt Marsalis zijn boodschap aan iedereen die het horen wil: jazz is de klassieke muziek van de Afro-Amerikaanse cultuur en dient op overeenkomstige wijze te worden bestudeerd en gepraktizeerd. Met kennis van de harmonieleer en ritmiek en met respect voor de traditie.

Sinds de opkomst van de avant-garde jazz, eind jaren zestig, is er in jazzwereld een controverse tussen de 'experimentelen' en zij die de bebopbeginselen blijven aanhangen. De Young Lions lijken in deze controverse geen positie te willen kiezen. Zo schrijft de succesvolle tenorist Joshua Redman in het cd-boekje dat verscheen bij Moodswing: 'De Traditionelen verheerlijken de muziek van weleer en eisen volledige beheersing van het idioom. (-) De Innovatieven hebben niets op met artistieke autoriteit, vervloeken muziekrepetities, en beschouwen vroegere stijlen als bloedeloze anachronismen.' Volgens Redman is dit een schijngevecht. Alle jazz bestaat immers uit zowel vaststaande elementen (akkoordenschema's, thema's) en vernieuwende elementen (improvisaties). Het is dus onzin om stromingen in de jazz te polariseren.

Toch valt het niet mee om de muziek van bijvoorbeeld Stephen Scott te beluisteren zonder sterk aan de traditie te worden herinnerd - in zijn geval aan die van het pianotrio van Ahmad Jamal, dat eind jaren vijftig naam maakte met subtiele, smaakvolle jazz. Spetteren doet Scotts muziek zelden. Aan de hoeveelheid noten en complexe voicings (akkoordliggingen) die Scott voortbrengt kan het niet liggen. Of misschien is dat juist het punt. Young Lions hebben de neiging om wat ze kunnen, en dat is veel, voortdurend onder de neus te wrijven van de luisteraar.

Scott verwijst zelf naar de jazztraditie door zijn nieuwste cd Renaissance te noemen. De pianist schrijft in het boekje bij deze cd: '[Deze standards] heb ik in ongebruikelijke omgevingen geplaatst, omringd door verschillende muzikale opties, daarbij onszelf uitdagend, de luisteraar en de muziek - met als uiteindelijk resultaat een 'wedergeboorte'.' Scott rekent de conceptuele en elektronische experimenten van de afgelopen 25 jaar waarschijnlijk tot de Middeleeuwen.

Het is van belang te beseffen dat deze generatie twintigers die de bebop heeft leren spelen de muziekpraktijk slechts uit tweede hand kent. De enkele nog werkzame oude leeuw (saxofonist Joe Henderson of zangeres Betty Carter) kan kiezen uit een groot aanbod van enthousiaste begeleiders en solisten. Zo'n optreden staat immers goed op hun cv. Maar de meeste Young Lions putten hun inspiratie uit de platenkast. De ambitie om de jazz te veranderen of iets wezenlijks toe te voegen is niet aan hen besteed. Wat ze spelen blijft mainstream, al wordt die mainstream steeds verfijnder.

Flamboyant

Een interessant grensgeval is saxofonist James Carter uit Detroit, voor het eerst met zijn eigen kwartet aanwezig op het North Sea Jazz Festival. Carter wordt niet tot de Young Lions gerekend. Hij voldoet aan de uiterlijke kenmerken, maar zijn spel is te recalcitrant. Tenminste, tijdens zijn live-optredens. Carter geeft met zijn flamboyante manier van spelen en zijn durf om fouten te maken blijk van een gevoel voor humor en zelfrelativering, iets waaraan het zijn collega's nogal eens ontbreekt.

Op zijn beste momenten slaat Carter een brug tussen het welklinkende maar voorspelbare neo-traditionalisme van de Young Lions en de avontuurlijke ambities van de avant-garde. Behalve over een verbluffende kennis van de muziekgeschiedenis, ook die van vóór Lester Young en na John Coltrane, beschikt Carter over saxofoontechnieken die in de free jazz zijn ontwikkeld. 'Alles swingt', zegt Carter in een interview in het Amerikaanse muziekblad Downbeat. 'De meeste muzikanten van mijn generatie blijven steken op één niveau. Ze grabbelen niet diep genoeg in de ton van de muziekgeschiedenis (-). Als ze sommige muziek afdoen als avant-garde waar geen swing in zit, vergeten ze waar het bij jazz om te doen is, namelijk verlichting - spirituele verheffing.'

Amerikaanse platenmaatschappijen denken hier over het algemeen anders over. Op de cd die dit jaar bij zijn nieuwe label Atlantic uitkwam, The Real Quietstorm, houdt Carter zich duidelijk in, ook al brengt hij alle maten saxofoons, een basklarinet en een basfluit in stelling. Gepolijste, enigszins oubollige romantiek heeft hier de overhand. Zijn debuut-cd JC On The Set is een betere afspiegeling van wat hij op het podium presteert. Daar pleegt Carter zijn tanden wel degelijk te laten zien. Nooit uit razernij - daarvoor is hij te veel een kind van zijn tijd - maar wel om zijn publiek plagerig te bijten.