Geslaagde verminking; Sapfo en haar Nederlandse navolgers

Het is opvallend hoe weinig afstand er soms lijkt te liggen tussen het Sapfo en moderne Nederlandse dichters. Wat trekt hen aan in haar 26 eeuwen geleden op Lesbos geschreven lyriek? Van Sapfo's gedichten zijn, op een uitzondering na, alleen maar fragmenten bewaard.

Sappho. Artikelen van S.R. Slings, Josine H. Blok, Rudi van der Paardt, Elly de Waard. Supplement III van serie Receptie van de Klassieken. Uitg. Spruyt, van Mantgem & De Does. ƒ 26,50; Je dochters die niet sterven. Fragmenten van Sappho en haar tijdgenoten. Red. Caroline Fisser en S.R. Slings. Uitg. Hermaion, ƒ 19; Sappho. Cd met voordracht door S.R. Slings (Grieks) en Caroline Fisser en tekstboek. Uitg. IDO, ƒ 25.-; Sappho fragment 31 - een keuze uit de Nederlandse vertalingen die in de loop der eeuwen zijn verschenen van het beroemdste gedicht van Sappho. Red. Marianne Peereboom. Uitg. Abrahamse, Dijstelberge & van der Lee Amsterdam, ƒ 35.-; Sapfo-vertalingen: Sappho, Liederen van Lesbos. Vert. Paul Claes. Uitg. Kritak. Sappho van Lesbos. Vert. Aart R.P. Wildeboer en Pierre J. Suasso de Lima de Prado. Uitg. In den Toren.

Roem is een wonderlijke zaak, wanneer je bedenkt dat Sapfo, of Sappho of Psappho, zelfs haar naam is onzeker, als dichteres na 26 eeuwen nog steeds wereldbekend is terwijl er zegge en schrijve één volledig gedicht van 28 regels van haar over is. Is er één andere, even bekende naam in de literaire wereld met zo weinig tekst?

Misschien zijn er meer kanten aan haar bestaan geweest die haar faam hebben verspreid, bijvoorbeeld haar politieke ideeën (ze is verbannen geweest), haar vrouw-zijn in een mannenwereld of haar lesbische gevoelens - zoals George Sand bekender is geworden door haar levenswijze en contacten met beroemde tijdgenoten dan door haar boeken, hoe onredelijk dat ook mag zijn. Toch geldt dat niet voor Sapfo; haar roem heeft uitsluitend met haar dichterschap te maken, en dus met dat ene volledige gedicht (een hymne aan de godin van de liefde, Afrodite) en een heleboel fragmenten daaromheen.

Want laat ik de zaken niet onjuist voorstellen: er zijn van Sapfo heel wat broos overgeleverde brokstukken over, dichtflarden, variërend van een enkel woord tot een aantal regels of zelfs enkele coupletten, bij elkaar niet meer dan ongeveer driehonderd leesbare versdelen of verzen. Het zijn min of meer toevallige overblijfselen van de negen boekrollen die Sapfo's werk ooit heeft beslagen. Van boek I is op een stuk papyrus juist het eind over, mèt de vermelding dat die boekrol 1320 versregels telde. Een ruwe berekening toont dus aan dat er nu nog nauwelijks 2,5 procent van haar werk over is, en dat getal steekt wegens de papyrusvondsten van deze eeuw dan nog heel gunstig af bij dat van de vorige eeuwen.

Toch heeft men tot in de Middeleeuwen Sapfo's werk kunnen lezen. In de bibliotheken moet een behoorlijk aantal kopieën hebben bestaan van - vermoedelijk - alle negen boekrollen. Dat blijkt alleen al uit het feit dat zij op last van Byzantijnse en katholieke kerkvaders om hun verdorven erotische inhoud werden verboden en, erger nog, vernietigd. De naam Sapfo is daarna nog wel een klank gebleven, doordat andere schrijvers uit de oudheid bewonderend over haar spraken, maar haar werk leek sindsdien ongelezen en verloren. Het was tenslotte ook geen schoollectuur geweest - voor menige Griekse en Romeinse auteur had dat immers de redding betekend, een manier om de donkere eeuwen in West-Europa te overleven. Sapfo's lesbische lyriek en haar schijnbaar ongedwongen taal pasten natuurlijk niet goed bij het retorische Romeinse onderwijs noch, daarna, bij dat van de kloosterscholen. Het Grieks, en zeker haar Aeolisch dialect van het eiland Lesbos, werd in het Westen trouwens steeds minder of helemaal niet meer beheerst, en zou pas door de humanisten en in de Renaissance opnieuw worden geleerd en gedrukt. En wat het lesbische karakter van haar poëzie betreft: ook al in de oudheid, lang vóór het Christendom, werd dat steeds minder geaccepteerd; uit sommige opmerkingen valt af te leiden dat men de morele bezwaren wel wilde vergeten wegens de uitzonderlijke kwaliteiten van Sapfo's poëzie zelf.

Kortom, wat van Sapfo's negen boeken Verzameld Werk nu nog rest, is puur toeval, bijeengegaard dankzij stukjes papyrus of een potscherf waarop iemand in Egypte ooit een schrijfoefening heeft gekrast; en dankzij Sapfo-citaten bij andere klassieke schrijvers, onder wie vaak grammatici, die maar één regel aanhalen om de ontwikkeling van een bepaald woord of metrum te behandelen. Eigenlijk kun je zeggen dat niet één Sapfisch vers rechtstreeks en uit puur leesgenot uit haar verzameld werk heeft voortbestaan.

Zijden draad

Vergeleken met de 24.000 verzen van Homerus' Ilias en Odyssee, waarover ook nog zoveel onzekerheden bestaan, vooral omdat het net als bij Sapfo om archaïsche orale poëzie gaat, zijn die 28 complete en paar honderd verminkte regels van Sapfo niets, helemaal niets, en toch benadert haar roem die van haar epische voorganger. Nu is het misschien onjuist om op dit punt epiek en lyriek te vergelijken, maar het kwantitatieve verschil onderstreept toch, voorzover nodig, Sapfo's kwaliteit. Haar roem heeft aan een zijden draad gehangen, de draad van haar poëzie is zelfs verbroken geweest, maar de brokstukken zijn na de val toch nog wonderbaarlijk goed terechtgekomen. Of, zoals de Alexandrijnse dichter Dioskorides het al in ongeveer 300 v. Chr. heel charmant in een Grieks epigram verwoordde: Sapfo's gedichten zijn haar dochters die niet sterven.

Aan haar roem heeft de negentiende eeuw niet weinig bijgedragen, soms op een merkwaardige manier. Toen in de Romantiek de aandacht voor de Griekse oudheid sterk toenam, kwam ook Sapfo ondanks haar verminkte dichtwerk weer volop in beeld. Vooral in beeld: romantiek, neo-classicisme, symbolisme, decadente en aanverwante latere stromingen maakten allemaal dankbaar gebruik van de vele legendarische verhalen over haar leven. Zeker de trieste aspecten ervan - zoals haar zelfmoord, haar ongelukkige liefde voor Phaon - inspireerden menige beeldhouwer of schilder tot vaak heel eigenzinnige kunstwerken (wie naar Parijs gaat, moet vooral het atelier van Gustave Moreau bezoeken!). De beeldende kunst beïnvloedde weer de literatuur, in binnen- en buitenland. Zo is bekend dat Baudelaire door tentoonstellingen omstreeks 1840 sterk geboeid werd door Sapfo's persoon en de titel Les Lesbiennes heeft overwogen voor de dichtbundel die later als Les Fleurs du Mal zou verschijnen.

Sapfo werd met Salomé, Circe, Medusa en andere fatale vrouwen opnieuw geroemd, bezongen en uitgebeeld. Zelfs de 'letterlijke' vertalingen van haar schaarse gedichten kregen vaak een vleug exotisme en fantasie mee.

Nu, na twee wereldoorlogen, zijn we op alle gebieden, ook in de kunst, nuchter geworden. Het is niet alleen dat homoseksuele uitingen normaal geaccepteerd worden; ook de wetenschap is, zeker na al die twintigste-eeuwse papyrusvondsten, druk bezig aan te tonen dat Sapfo geen (geëxalteerde) directrice van een (zwoele) meisjeskostschool is geweest, maar wel een professionele koordirigent, choreograaf en tekstschrijver, zoals er in die vroege maatschappij meer waren, mannen en vrouwen. Alleen was zij dan wel uitzonderlijk begaafd. Haar gedichten zijn - zo neemt men nu graag aan - wel persoonlijk gevoeld, maar niet in de eerste plaats bedoeld als hartekreten van de dichteres zelf. Zij zijn geschreven voor meisjeskoren die onder Sapfo's leiding optraden bij huwelijken en offerplechtigheden; of als solozangen, die zij zelf bij de lier in het openbaar voordroeg. Het is heel goed mogelijk dat de ik-figuur en de liefdesemoties uit Sapfo's fragmenten niet alleen met de dichteres te maken hebben, maar in de Afrodite-sfeer van huwelijks- en vruchtbaarheidsriten namens iedere aanwezige - koorleidster, koor en toehoorders - spreken.

Schouderstompjes

Soms overvalt me een oneerbiedige gedachte, wanneer ik de Venus van Milo zie: zou haar complete vorm even beroemd zijn geworden als haar romp met schouderstompjes? En hoe zit dat met Sapfo's roem? Versta me goed - het zou natuurlijk de vondst van deze of de volgende eeuw zijn, als alsnog een exemplaar van Sapfo's boeken zou worden ontdekt op een bibliotheekplank die indertijd aan het lesbisch-vijandige verbod van kerkvorsten is ontsnapt. En de kans dat dat complete werk zou tegenvallen vergeleken bij de schaarse nu bestaande resten, is al helemaal uitgesloten, als je afgaat op de lof die Grieken en Romeinen dat werk hebben toegezwaaid.

Dat neemt niet weg dat Sapfo's roem in de laatste anderhalve eeuw verrijkt is door de charme van juist die verminkte vorm, waardoor de lezer betrokken wordt bij onzichtbare woorden en actiever dan bij een voltooid gedicht zijn voorstellingsvermogen laat werken. Het heeft te maken met wat in de architectuur 'the pleasure of ruins' heet, en wat de dichter J.H. Leopold de 'rijkdom van het onvoltooide' noemde. Leopold, sterk door Sapfo beïnvloed, formuleert die woorden zelf ook in een (opzettelijk?) onaf dichtfragment; na een hiaat van twee witte regels laat hij erop volgen: 'de mogelijkheden der gedachte / de strikte dwang der werkelijkheid' - verder niets, geen begin, geen eind, alleen deze Sapfo-achtige flarden. Hij drukt er precies mee uit wat poëziefragmenten intrigerend maakt: zij openen, meer nog dan de werkelijkheid van een voltooid gedicht, een wereld van associaties en verruimen de grenzen van de poëtische impressie.

Het is opvallend hoe vaak de fragmentarische vorm van een poëzietekst ook na Leopold in de Nederlandse dichtkunst is nagestreefd, en hoe weinig afstand er soms lijkt te liggen tussen Sapfo en moderne lyrische dichters. Zo viel me bijvoorbeeld op dat verschillende gedichten van Hans Lodeizen direct voor een verloren Sapfo-fragment zouden kunnen doorgaan als ze in het oud-Grieks zouden worden vertaald. Verschillende dichters laten ook blijken dat juist dat onvoltooide aspect van Sapfo's poëzie hen heeft beïnvloed. 'Van Sapfo ben ik gaan houden / sinds de vernietiging / haar teksten heeft ingekort' schreef Hans Faverey, en Elly de Waard gaf onlangs in een artikel, eerst als lezing uitgesproken, op boeiende wijze aan wat haar door Sapfo geleerd is: 'Het is niet zonder reden dat ik de bundel waaruit ik het eerste van deze fragment-gedichten voorlas Onvoltooiing heb genoemd, een in het Nederlands niet bestaand woord, waarmee ik het opzettelijk iets onvoltooid maken wil aangeven.' Een merkwaardig contrasterend spiegelbeeld: twee dichteressen, gescheiden door 26 eeuwen, van wie de een nooit anders dan volmaakt voltooide gedichten schreef, die onbedoeld zó overkomen, dat de ander, haar lezende, het onvoltooide tot doel gaat stellen.

Zangerig

In datzelfde artikel spreekt Elly de Waard van 'Sapfo's dansante ritme dat mij van meet af aan een toonbeeld van lyrische elegantie heeft toegeschenen', en daarmee raakt ze aan een veel eigener eigenschap van Sapfo's poëzie, die kennelijk nog steeds doorwerkt: de combinatie van dichterlijke, maar eenvoudig verstaanbare taal en zangerige metrische versvormen. De zogenaamde Sapfische strofe is het bekendste voorbeeld van zo'n archaïsch dichtpatroon en sinds de Tachtigers niet alleen in Nederlandse Sapfo-vertalingen toegepast, maar ook in eigen lyriek, met als bekendste navolgers Boutens, Bloem en Gerhardt. Deze hebben daarmee in het Nederlands gedaan wat Horatius en Catullus lang geleden in het Latijn deden: hun eigen taal aanpassen aan die oeroude Aeolische maten.

In hun lijn gaat ook Elly de Waard voort, maar vrijer: zonder heel strikt te voldoen aan het metrische schema laat zij het ritme van Sapfo's verzen doorwerken in haar eigen gedichten. Het 'sportgedicht' dat zij vorig jaar op verzoek van NRC Handelsblad ter gelegenheid van het wereldkampioenschap voetbal schreef, ontstond pas, zo zegt zij, nadat een bekend Sapfo-fragment haar was ingevallen. Het eerste kwatrijn van dat fragment luidt, in de vertaling van Paul Claes:

Er zijn er die de ruiterij

het voetvolk of de vloot het mooiste

vinden op de donkere aarde;

ik, wat men bemint.

Waarop Elly de Waard opende met:Sommigen menen, dat jij, Nelli Cooman

het mooiste bent dat op gods aardbodem

rondloopt en ik zal het niet

ontkennen, want de schoonheid

van vrouwen en hun gratie

grijpen mij aan.

Claes en De Waard, beide niet tot de jongste, maar wel tot de moderne Nederlandse dichtersgeneratie behorend, geven met hun teksten aan - zo valt ook aan deze korte voorbeelden af te lezen - dat zij Sapfo niet op de voet willen volgen, maar wel haar muzikaliteit en ritme nastreven en dat vooral in ongecompliceerde taal. En zij zijn bepaald niet de enigen, zoals Rudi van der Paardt, dé deskundige op het gebied van de klassieke receptie in de Nederlandse literatuur, onlangs in een artikel heeft aangetoond. Al deze schrijvers bewijzen Sapfo oprechte eer, zoals nog maar weinig dichters uit het verleden overkomt.

Kaders:

De bruid

zoals de zoete appel

bloost aan het eind van een tak

hoog in de hoogste twijgen

vergeten door de plukkers

neen, niet vergeten

maar niet te bereiken...

Sapfo, fragment 105 a Vert. Paul Claes

------------------------------------

Weer siddert in mij

de Liefde die het lichaam sloopt

dat bitterzoet en

onweerstaanbaar sluipdier...

Sapfo, fragment 130 Vert. Paul Claes