Geen tijd voor hoofdletters

Wie wil op latere leeftijd niet verliefd over het paradijs van zijn jeugd kunnen mijmeren? “Maar wat als je geboorteplaats Greifswald in Pommeren is, waar scholen kazernes zijn en gepommadeerde snorren ontroerd trillen op de tonen van marsmuziek?” In Jeugd van de Duitse schrijver Wolfgang Koeppen is niet nostalgie, maar walging het uitgangspunt.

Rubriek over boeken die ten onrechte in de ramsj zijn gegaan.

Wolfgang Koeppen: Jeugd (Jugend). Vert. Elly Schippers. Uitg. Querido. Voor ƒ 12,90 te koop bij De Slegte

Waarom zouden de kinderjaren van iemand die we niet kennen eigenlijk belangwekkend zijn? Waarom meereizen naar iemands jeugd waar ons dan meestal de gemeenplaatsen wachten die we al zo goed van onszelf kennen? Belangwekkend zijn dergelijke memoires eigenlijk zelden. Alleen als er sprake is van een uitzonderlijke jeugd of als de schrijver iemand is die in de eerste plaats een literair kunstwerk wil maken en ook het talent heeft dat voornemen tot een goed einde te brengen. Hij moet tegelijk een meester-vervalser zijn, iemand die zijn leven voor de lezer glans geeft, iemand die weet dat je de intensiteit van je stof moet verhevigen tot de gewenste contouren zich aftekenen en de kleuren vernissen zodat ze gaan spreken. Hij offert zijn herinneringen op aan zijn talent en nooit zijn talent aan zijn herinneringen, want dan kan er alleen maar sprake zijn van het uitwerken van notules. Overigens is hij evenmin in zijn eerste leugen gestikt. Per slot van rekening is de wens te willen weten wat er werkelijk gebeurd is meer een opgave voor journalistiek, juristerij of wetenschap dan voor de literatuur.

Wolfgang Koeppen heeft het juiste palet om zo'n boek te schrijven. Deze nu 89-jarige Duitse auteur is niet de eerste de beste, al is daarover nooit veel ophef gemaakt: niet door hem en niet door anderen. Toch werd hij in 1962 in de literaire adelstand verheven toen men hem de Georg Büchnerprijs uitreikte. Maar in de galerij der groten voelde Koeppen zich niet thuis. Tien jaar lang werd er niets van hem vernomen, tot hij met een kleine bundel verhalen kwam. Enkele jaren later, in 1976, verscheen Jugend, in 1991 in Nederland uitgebracht als Jeugd, en thans alleen nog te vinden in de ramsj.

Alle elementen van een jeugd zijn aanwezig, alle dingen die een jongen voor het eerst doet en meemaakt staan erin, daarvoor hoeft men het boek ook niet aan te schaffen. Jongens ontdekken op een bepaalde leeftijd nu eenmaal allemaal hetzelfde.

Koeppen was als buitenechtelijk kind in Greifswald geboren, een provinciestadje in het Wilhelminische Duitsland. Zowel het decor als de figuranten waarmee zijn jeugd gestoffeerd was, konden hem maar matig bekoren maar wie eenmaal op het toneel staat moet meespelen, ook al bevalt het stuk hem niet. Koeppens herinneringen uit die tijd zijn dan ook doortrokken van een machteloze woede, want er is voor een zeventigjarige niets meer over te doen of recht te zetten. Met wat je als kind wordt aangedaan kun je je niet verzoenen. Nooit was het mogelijk zich te onttrekken aan de alom tegenwoordige stoet handenwrijvende middenstanders met keizerportretten in hun etalages, of aan de Pruisische ambtenaren die 'dronken van bevelen' maar al te graag bereid waren hem eraan te herinneren dat hij een buitenechtelijk kind was. In gloeiende zinnen jaagt Koeppen zijn kinderjaren over de kling, die hij noodgedwongen in de provincie heeft vergooid temidden van bekrompen hoera-patriotten en bedompte landadel die op de golven van de nationalistische waan zingend naar Verdun en Tannenberg marcheerden om zich voor keizer en vaderland af te laten schieten.

Wie wil op latere leeftijd niet verliefd over het veronderstelde paradijs van zijn jeugd kunnen mijmeren? Koeppen ook. Maar wat als je geboorteplaats Greifswald in Pommeren is, waar de geleerden stinken, waar scholen kazernes zijn, waar gepommadeerde snorren ontroerd trillen op de tonen van marsmuziek, waar moeders nederig naai- en verstelwerk moeten doen bij de heren door wie ze zich hebben laten bezwangeren? Walging is de brandstof van Koeppens motor, niet nostalgie. Zelfs de in stilte beminde freule Von Lössin is besmet. Ze heeft een 'geborneerde gang', een 'dwaze riddergoedbezitterstrots' en liet zich begeleiden door een neef, een adelijke corpsstudent met 'een George Grosz-gezicht.' Maar als Duitsland de oorlog verliest, triomfeert Koeppen: de vijand is verslagen.

De jeugd van de schrijver eindigt in Berlijn. De omstandigheden hebben van hem een pittoreske anarchist met breedgerande hoed gemaakt. In sombere expressionistische tonen wordt de republiek van Weimar beschreven. Maar voor het zover is, heeft de lezer al een kleine staalkaart van Koeppens stijlen - hij beheerst er meer dan een - achter de rug.

Bladzijden lange jachten zonder de bevrijdende punt achter de zin, soms zonder welke interpunctie dan ook. Dan weer de bedaarde alledaagsheid van correct realistisch proza dat wordt afgewisseld met perioden van korte, afgemeten zinnen, die voor een groot deel ook nog met 'ik' beginnen, waardoor zo'n passage nog monomaner wordt. Frikken zullen Koeppens proza ongetwijfeld bij vlagen surrealistisch noemen, want dat is de term geworden voor alles wat zich buiten gebaande paden begeeft, maar in tegenstelling tot de surrealistische schrijverij is Koeppens scala aan stijlen buitengewoon effectief: de weg naar het doel kan hem niet kort genoeg zijn, het leven is een vrije val, van alles flitst links en rechts aan je voorbij, aan niets kun je je vastgrijpen, zelfs niet voor even. Er gebeurt zoveel tegelijk dat je geen tijd meer hebt voor punten en hoofdletters. Voort, voort, voort gaat de val. De lezer hapt naar adem, zo snel heeft hij nog nooit een boek gelezen, lijkt het. Hij vergist zich. Niet hij maar de tekst bepaalt het tempo, tot hij zich onder je ogen lijkt te verdichten tot een verbluffende intensiteit. En al heeft Koeppen alles uit zijn duim gezogen, het kan me niets schelen. Een boek als dit gaat boven de waarheid.