Een suikerzoet Arcadië; De herwaardering van Maurice Denis

De reputatie van Maurice Denis berust voornamelijk op zijn vroege werk. Een tentoonstelling in het Van Gogh Museum wil nu laten zien dat juist zijn neo-klassieke schilderijen van omstreeks 1900 het hoogtepunt van zijn oeuvre vormen.

Maurice Denis, schilderijen. Van Gogh Museum, Paulus Potterstraat 7, Amsterdam. T/m 16 sept. Dag. 10-17 uur. Catalogus, 375 blz. ƒ 45,-.

Als 16-jarige wist Maurice Denis (1870-1943) al precies wat hij wilde. Hij zou, zo noteerde hij in zijn dagboek, zijn leven wijden aan de vernieuwing van de christelijke schilderkunst. Een zelfportret uit 1889 toont hem als een ernstige jongeman, vol zelfvertrouwen. Zijn gezicht heeft een meisjesachtige zachtheid, en zijn grote lichtgrijze ogen zijn gericht op dingen die niet van deze wereld zijn.

Denis vond in 1888 op de Académie Julian in Parijs aansluiting bij een groep jonge schilders, onder wie Edouard Vuillard en Emile Bonnard. Zij bekritiseerden het impressionisme dat zich bezighield met de uiterlijke, zichtbare werkelijkheid, en met de indrukken van het moment. Volgens de Nabis (profeten), zoals zij zich noemden, was het zichtbare de manifestatie van het onzichtbare, van een tijdloze ideeën-wereld. Zij zochten naar een nieuwe vormtaal die hun diepste innerlijke ervaringen zou kunnen verbeelden. Voor Denis was het belangrijkste, zelfs het enige, thema de goddelijke liefde zoals die tot uitdrukking komt in de schoonheid van de natuur en in de liefde tussen mensen. 'De kunst is de heiliging van de natuur', schreef Denis in 1889. Twijfel hierover heeft hij nooit gekend. Denis kreeg de bijnaam de Nabi van de Mooie Ikonen.

Zo'n 'ikoon' is het schilderij Juli, dat Denis in 1892 exposeerde op de Salon des Indépendants. Het maakt deel uit van een vierdelige, allegorische cyclus van de seizoenen. Jonge vrouwen wandelen door een arcadisch, zonovergoten landschap. Zij zijn sterk vereenvoudigd weergegeven, gereduceerd tot platte vlakken met donkere contouren, zonder detail of modellé. Ook bomen en gebladerte, en de zon- en schaduwvlekken op het gras zijn vereenvoudigd tot decoratieve motieven. De geabstraheerde voorstelling heeft een visionair karakter, de vrouwen bevinden zich niet in het hier en nu, maar in een andere, ideale wereld. De sierlijke contouren en nadruk op het oppervlak vertonen steeds een aan de Art Nouveau verwante esthetiek.

In deze ideale wereld speelt Martha, de vrouw van Denis, sinds 1893 de hoofdrol. In talloze gedaanten zien we deze mollige vrouw met het welige lange haar terug. Marthe als Prinses in de toren, gekleed in wit, symbool van afzondering en maagdelijkheid. Martha aan de piano samen met haar zus Eva, of slapend in een bloementuin. Of als de bijbelse Martha, in de weer met de afwas, in tegenstelling tot Maria die liever zat te luisteren naar de lessen van Jezus. En na de geboorte van het eerste kind, in 1895, Martha als moeder. Kortom, Martha in al die vrouwelijke, door feministen verafschuwde rollen.

Strijdros

Als schilder berust de reputatie van Denis hoofdzakelijk op het werk uit deze vroege periode, dat toen het samenviel met de vormexperimenten van de symbolistische avant-garde. Maar zijn werkelijke bekendheid dankt hij aan een van de beroemdste, meest geciteerde uitspraken uit de kunstgeschiedenis. In 1890 schreef Denis als theoreticus van de Nabis in een artikel: 'Alvorens een schilderij een strijdros voorstelt, een naakte vrouw of een anekdote, is het bovenal een plat vlak, bedekt met kleurvlekken die in een bepaalde ordening zijn samengevoegd'. Deze woorden lijken de hele ontwikkeling van naturalisme in de tweede helft van de negentiende eeuw naar de zuivere abstractie in de eerste decennia van de twintigste, te voorspellen en samen te vatten. Voortaan zou het in de schilderkunst niet meer in de eerste plaats gaan om het nabootsen van de zichtbare werkelijkheid, maar om vlakken en contouren als zelfstandige uitdrukkingsvormen.

Maar Denis zelf liet dit gedurfde uitgangspunt snel varen. Op reizen naar Italië in 1895 en 1898 ontdekte hij de klassieke oudheid en de kunst van de Renaissance, waarna hij zich bekeerde tot de traditionele illusionistische schilderkunst. Steeds resoluter werd Denis in zijn afwijzing van het perspectiefloze, vlakke schilderen. Deze manier van schilderen deed de natuur geen recht, vond hij. Ook bevredigde hem het subjectivisme van de weergave van de innerlijke ervaringswereld niet langer. In de tweede helft van de jaren negentig schakelde hij over naar een neo-klassieke vormtaal.

Het is vooral dit latere werk dat op de overzichtsexpositie van schilderijen van Denis de aandacht krijgt. Volgens de organisatoren ligt het hoogtepunt van de carrière van Denis bij zijn neo-klassieke werk van omstreeks 1900. De tentoonstelling, die is gemaakt door het Musée des Beaux Arts van Lyon en eerder was te zien in Keulen en Londen, is een poging tot herwaardering van het oeuvre van Denis. De tijd zou hiervoor eindelijk rijp zijn, want nu we met het postmodernisme zijn bevrijd van het vooruitgangsdenken van de avant-garde kunnen we de schoonheid ontdekken van het traditionalistische werk van Denis. Net zoals ook het latere werk van Monet en Renoir, en van Bonnard en Vuillard een herwaardering heeft ondergaan. De enige voorwaarde is, aldus Jean-Paul Bouillon in de catalogus, dat de beschouwer zijn ingebakken 'a priori' zienswijze moet opgeven volgens welke 'de ware verdienste van een beeldend kunstenaar zich hoofdzakelijk in zijn vroege werk openbaart'.

Het is waar dat de tijden veranderd zijn en dat we tegenwoordig zelfs met plezier naar academische Salonschilderkunst kunnen kijken. Maar in het geval van Denis lijkt het onwaarschijnlijk dat zijn rol in de kunstgeschiedenis herschreven zal worden. Want vanaf het moment dat hij het zoeken naar een oorspronkelijke uitdrukkingsvorm opgaf en zich oriënteerde op de kunst van het verleden, verdwijnt de spanning uit zijn werk. De charme, de lieflijkheid van zijn voorstellingen veranderen in sentimentaliteit en suikerzoetheid. Zijn Arcadië ontroert niet langer.

Schalen fruit

Dit gebeurde niet onmiddellijk - er zijn prachtige overgangswerken, zoals het Dessert in de tuin (1897). Maurice en Marthe zitten hier bij zonsondergang op het terras, aan een tafel gedekt met schalen met fruit. De dingen hebben een allegorische lading. Het tuinhek begrenst de ruimte als een 'hortus deliciarum' waarin het paar zich bevindt. Marthe zit in zichzelf verzonken. Op de achtergrond plukken kinderen fruit uit de bomen. Het oppervlak van het schilderij is mat, alles is als door avondschaduwen omfloerst, de stemming is van een grote melancholie. Er zit in dit schilderij een dubbelzinnigheid die in het latere werk ontbreekt, en die voortkomt uit het feit dat Denis hier niet streeft naar een optimale illusie, maar de objecten en de natuur, naast beeld, ook vorm laat zijn.

In de eerste decennia van de twintigste eeuw schilderde Denis een aantal grote, decoratieve beeldcycli met titels als Florentijnse avond (1910) en Gouden eeuw (1912). Daarnaast produceerde hij vele taferelen van huiselijk geluk en religieuze voorstellingen die vooral op de Maria-verering betrekking hebben. Bij het zien van dit alles begon ik langzamerhand te snakken naar iets lelijks, iets afschrikwekkends, iets pijnlijks of absurds. Zou Denis nooit twijfel hebben gekend, nooit angst? Zijn oudste zoon overleed op jonge leeftijd, in de Eerste Wereldoorlog was hij een paar jaar in dienst, Marthe stierf in 1919 na een ziekbed van enkele jaren, maar van al deze gebeurtenissen is in het oeuvre van Denis helemaal niets terug te vinden. Hij volhardde in zijn ideale voorstellingswereld. Vanaf ongeveer 1910 predikte hij in zijn geschriften ordening, een terugkeer naar principes en regels. Dit 'Rappel á l'Ordre' zou uiteindelijk kunnen leiden tot de door hem zo vurig gewenste 'dageraad van een periode van klassieke kunst'. De laatste twintig jaar van zijn leven hield Denis zich voornamelijk bezig met opdrachten van de katholieke kerk, om kerkinterieurs te decoreren.

Nee, het is goed dat Denis in de kunstgeschiedenisboeken staat vermeld als een kunstenaar die op een cruciaal moment een profetische uitspraak deed, en als een schilder die op twintigjare leeftijd zijn beste werk maakte. De Christusikonen uit 1890 zijn juweeltjes van symbolistisch-fauvistische kunst. Ze zijn emotioneel zeer beladen, krachtig van vorm, en er spreekt een religiositeit uit die in geen van zijn latere werken wordt overtroffen.