Een student in het peloton; Roman van Bert Wagendorp over wielrennen

Bert Wagendorp: De proloog. Uitg. Veen, 125 blz. Prijs ƒ 19,90.

Hij ligt in zijn bed in een Franse hotelkamer en woelt. Door het open raam schallen de geluiden van een dorpskermis, op de gang staat een ronkende cola-automaat, er zoemt een mug door zijn kamer en in het bed naast hem ligt zijn collega Van Sprundel piepend te ademen. Hij is een wielrenner en hij kan niet slapen - terwijl hij de volgende ochtend de proloog van de Tour de France moet winnen. 'Morgen komt de ploegleider bij me, na het ontbijt. Ik weet wat hij gaat zeggen. Jij bent de baas, er kan er maar één winnen en dat ben jij, jij bent de koning van de proloog, jij kúnt niet eens verliezen, al zou je willen, kom op jongen, je hebt ze dit seizoen allemaal gewonnen, je fietst ze allemaal aan stront, ja hoor, aan stront, aan dikke stront.'

Door zijn slapeloosheid ligt de hoofdpersoon van Bert Wagendorps debuutroman De proloog te draaien en wordt hij bijna verplicht tot nadenken. En dat doet hij: over wielrennen. Hij peinst over zijn favoriete coureur, over vriendschappen in het peloton, over de onvermijdelijke doping en de code onder wielrenners om te doen alsof dat niet bestaat. Ondertussen probeert hij weg te dommelen - met ieder uur dat hij minder slaapt zullen zijn kansen op de overwinning slinken.

Zoals je geen lange wandeling door Dublin meer kunt beschrijven zonder aan James Joyce's Ulysses te denken, zo is het in Nederland bijna onmogelijk geworden een boek over wielrennen te schrijven zonder aan De renner van Tim Krabbé te refereren. Wagendorp lijkt zich daar nadrukkelijk van bewust. Sport en literatuur gaan meestal maar moeilijk samen, maar Krabbé's roman is een bijna perfecte zedenschets van een wielerwedstrijd waaraan de ik-figuur zelf meedoet. Vooral de beschrijving van de drijfveren, de motieven en de zwaktes van zijn hoofdpersoon maakten hem tot een universele held en het boek tot een kleine klasssieker.

In De proloog heeft Wagendorp een aantal principes van De renner toegepast. Zo heeft hij, om zijn ik-figuur wat geloofwaardiger te maken, van zijn naamloze hoofdpersoon een boekenlezende intellectueel gemaakt die door zijn ploegleider en collega's consequent 'student' wordt genoemd. Wagendorps hoofdpersoon lijkt een kruising tussen Maarten Ducrot en Erik Breukink, die Somerset Maugham leest in plaats van het volgens de schrijver gebruikelijke Penthouse, en lang heeft geweigerd zich te conformeren aan de mores van het peloton. Maar hij heeft geleerd dat dat weinig produktief is en dus heeft hij zich aangepast. Toch wordt hij nog steeds als een outcast beschouwt. 'Ik vind jou een lul, maar daarom neem ik je nog wel in mijn ploeg, want je wint zo nu en dan tenminste nog wat', bijt zijn ploegleider hem toe.

Net als Krabbé heeft Wagendorp zijn roman wat extra sjeu gegegven door zijn hoofdpersoon een groot aantal anekdotes uit de wielergeschiedenis te laten ophalen. Zo vertelt Wagendorps held over zijn zwak voor 'eeuwige loser' Hennie Kuiper en diens prachtige overwinning in Parijs-Roubaix; over de vriendschap tussen Stephen Roche en knecht Eddy Scheepers die niet meer bleek te bestaan toen de laatste was 'opgebrand' en over Gerrit de Vries die de laatste vijftien kilometer van een wedstrijd voltooide met een gebroken bekken.

De proloog is geschreven in een losse, spreektalige stijl die prettig wegleest. Er zou dan ook weinig op het boek aan te merken zijn geweest als Wagendorp zijn roman wat zorgvuldiger had geconstrueerd. Tim Krabbé wist in De renner een natuurlijke spanningsboog aan te brengen door het verloop van een wedstrijd te volgen. Maar De proloog houdt gewoon op als de renner zijn bed uit moet en er noodgedwongen een einde komt aan zijn overpeinzingen.

Daar komt nog een ander manco bij. Terwijl de hoofdpersoon van Krabbés boek de ervaringen van zijn beroemde voorgangers telkens toetst aan zijn eigen ervaringen tijdens de wedstrijd, blijft de ik-figuur van De proloog een buitenstaander: een man die in bed ligt, probeert te slapen en pas de volgende dag in een wielrenner zal veranderen.

Dat maakt hem ten opzichte van zijn beroemde voorgangers toch een toeschouwer. Wagendorps renner maakt niks mee; hij blijft een wielerverhalen vertellende toerist die de dag erop misschien iets soortgelijks zal meemaken. Dat geeft De proloog uiteindelijk iets afstandelijks - één lange wieleranekdote, en helaas zonder clou.