Drie gezellige geesten; Voordrachten van Ginsberg, brieven van Kerouac, dromen van Burroughs

De literatuur van de Beat Generation doet vermoeden dat deze schrijvers in de jaren vijftig in Amerika een gezellige tijd hebben gehad. De nu gepubliceerde brieven van Jack Kerouac nuanceren dat beeld. Liften deed Kerouac vooral uit geldgebrek en met de kameraadschap viel het ook wel mee. 'Ik zie niet in hoe dit ooit gepubliceerd zou kunnen worden,' schreef Ginsberg bijvoorbeeld aan Kerouac over diens On the Road.

Allen Ginsberg: Holy Soul Jelly Roll. Poems and songs 1949-1993. (4 cd's) Rhino records, Los Angeles 1994. Prijs ƒ 96,50. Jack Kerouac, Selected Letters 1940-1956. Ed. Ann Charters. Uitg. Viking. Prijs ƒ 59,-. William Burroughs: My education, a book of dreams. Uitg. Viking. Prijs ƒ 48,30.

Allen Ginsberg, coryfee onder de beat-poets, heb ik één keer ontmoet, op een feestje in Moskou waar hij kennelijk de roots van zijn familie kwam bestuderen. Het voorval is zonder enige historische betekenis, maar is mij niettemin diep in het geheugen gegrift. Nadat ik mij keurig had voorgesteld, met land van herkomst, zei de dichter, een van de weinige boeddhisten die nimmer zonder stropdas de straat op gaan, namelijk: “Ah iemand uit Holland, het land van Simon Vinkenoog!”

Aanvankelijk was ik een beetje verbaasd over deze variatie op de nationale trots van tulpenbollen of Johan Cruijff, maar bevallen deed ie wel. Simon Vinkenoog - voor Ginsberg een verwante geest natuurlijk, en een maatje. Zo stel ik mij graag de literatuur voor: beat-generation, het woord zegt het al: generatie, vriendenclub.

Dat beeld heeft iets heel aantrekkelijks voor elke lezer: ook wie van z'n leven nooit een regel belletrie op papier heeft gezet, heeft het idee dat die gezelligheid van hem een schrijver zou kunnen maken. Zet ons naast Dorothy Parker aan een Newyorkse cafétafel, of naast J.P. Sartre in de Deux Magots, en de algemeen erkende meesterwerken zouden ook ons moeiteloos uit de pen vloeien.

Met de dichters van de beat-generation, Amerikaanse non-conformisten van de jaren vijftig, gaat het, materieel gezien, beter dan ooit. Allen Ginsberg (69) moet als docent aan Brooklyn College wegens hartklachten wat kalmer aan doen, maar is nog altijd een veelgevraagd performer en heeft net zijn persoonlijk archief voor één miljoen dollar aan de bibliotheek van de Stanford-universiteit verkocht. Een cassette van vier cd's maakt het nu mogelijk zijn carrière als performing poet sinds de jaren vijftig te volgen.

Jack Kerouac is weliswaar al in 1969 overleden, maar de belangstelling voor zijn werk is geenszins tanende. Uitgeverij Viking heeft vorig jaar The Portable Kerouac uitgebracht, niet gek voor een schrijver die bij zijn leven zeven jaar moest wachten voordat een uitgeverij bereid was zijn meesterwerk On the road ter perse te leggen. Francis Coppola is doende met de verfilming van die roman. Deel één van Kerouacs verzamelde brieven is verschenen.

William Burroughs, nu 81 jaar oud en in de jaren vijftig, tijdens de bloeitijd van de beat-generation, al een beetje hun grand old man, komt met een nieuw boek, My education, a book of dreams, nadat hij de afgelopen jaren al van zich had doen spreken door cd's vol raadgevingen aan jongelieden, veelal met een hoog ulevel-gehalte: 'pas op voor hoeren die geen geld vragen, dat zijn de duurste'.

Dat de twee nog levende auteurs uit dit rijtje een deel van hun huidige populariteit ontlenen aan het voordragen van eigen werk, lijkt geen toeval. Het gaat goed met het gesproken woord in de Verenigde Staten, zo goed zelfs dat de muziekzender MTV er tegenwoordig een apart programma voor heeft, de Spoken Word Show. In het voetspoor van rappers en andere beoefenaren van zingzang, komen nu ook de regelrechte dichters weer aan bod. En het gesproken woord blijft niet beperkt tot vroom voorlezen in koffiehuis of zaaltje: er worden zelfs slams georganiseerd, waarbij improviserende dichters verbaal duelleren.

Doodsgebed

Bijna iedereen die met enig show-effect gedichten voorleest, moet in Allen Ginsberg welhaast de grote voorloper zien. Dat maakt van de cd-cassette Holy Soul Jerry Roll bijna verplicht studiemateriaal. Op de verzameling staat bijvoorbeeld het befaamde Howl for Carl Solomon, een opname uit 1956 in Berkeley en volgens het fraaie documentatieboekje bij de cd's de eerste maal dat het gedicht integraal (30 minuten) op een band werd vastgelegd. Ook present: Kaddish, Ginsbergs meer dan een uur lange doodsgebed voor en ode aan zijn mesjogge moeder. Bij de voordracht uit 1966 horen we af en toe een snik in Ginsbergs stem.

Wat op de opnamen uit de jaren vijftig, bijna alle met publiek op de achtergrond, duidelijk wordt, is de hoge amusementswaarde van Ginsbergs voorgelezen poëzie. De iconoclastische behandeling van de American dream, de nare opmerkingen over de CIA, de gedetailleerde beschrijving van homoseksueel geslachtsverkeer en gebruik van verboden stoffen mogen voor onze geharde oren eigenlijk allemaal clichés zijn geworden, in de jaren vijftig was dat anders. Je hoort de luisteraars de adem inhouden, of hilarisch lachen bij bijtende commentaren op de gevestigde orde of zeden.

Wat dat betreft maakt een van de curiositeiten in deze verzameling, een live-optreden van Ginsberg met de Amerikaanse punkgroep The Clash uit 1980, maar een povere indruk. De dichter doet zijn best, met een tekst (Capitol Air) die bedoelt kapitalisme en communisme op één lijn te stellen. Ofschoon hij door de band als 'de professor' wordt ingeleid, vallen Ginsbergs wijze woorden zo te horen op dorre akker - er is op de opname nauwelijks iets te merken van afkeuring of bijval. Op de punkers van 1980 hebben Ginsbergs woorden duidelijk niet meer de schokkende werking die ze in de jaren vijftig op studenten en andere poëzieliefhebbers hadden.

Ginsberg, zo tonen de cd's aan, heeft zich vaak en graag bediend van musici bij het voorlezen van zijn poëzie, en dan vaak niet van de minsten: er zijn meerdere opnamen met Bob Dylan in deze verzameling. Helaas is de in 1983 in Amsterdam opgenomen versie van On Jessore Road met het Mondrian String Quartet in zwaar verknipte vorm op deze cd's terecht gekomen. Eigenlijk zijn alleen de eerste en laatste paar maten afkomstig van deze opname, gemaakt op initiatief van de vorig jaar overleden Ben Posset, eens organisator van het Amsterdamse One World Poetry. Het langste deel is een in 1971 gemaakte opname met Bob Dylan en blazers. Deze remix is bijna een smet op een anderszins documentair zeer verantwoorde uitgave.

Zorgen

Waar Ginsbergs poëtische verrichtingen het beeld van gezelligheid en kameraadschap in de literatuur nog wel versterken - niet het minst door het door de decennia heen niet aflatend, hoorbaar enthousiasme van de dichter - leren de brieven van Jack Kerouac ons, wellicht ten overvloede, dat het werkelijke leven anders is. Zeker waren er in de jaren vijftig thans legendarische bijeenkomsten van de schrijvers van de Beat-generation, een term die trouwens door Kerouac bedacht is. De vrienden kwamen bijeen aan de westkust, in Marokko, Parijs of Mexico. Het waren reisjes vol homo-erotiek en intensief gebruik van verdovende middelen - al lijkt Kerouac die onderwerpen in zijn brieven grotendeels te willen omzeilen.

Deze momenten van levensvreugde waren echter ingebed in een leven vol zorgen. Zelfs het liften naar de westkust, in de jaren zeventig beschouwd als een ritueel van ongebondenheid, was voor Kerouac toch vooral een uiting van geldgebrek. Menigmaal heeft Kerouac de reis moeten afbreken, omdat hij kort na vertrek al niet meer bij machte bleek een willige vrachtwagenchauffeur aan te houden.

De zorgen om het levensonderhoud vullen veel van de thans uitgegeven brieven, want Kerouacs erkenning als schrijver liet lang op zich wachten. Zeven jaar leurde hij van uitgeverij naar uitgeverij met het manuscript van On the road. En zelfs in eigen kring viel Kerouac daarbij niet altijd bewondering ten deel. In de Selected Letters is een brief afgedrukt aan Kerouac van Allen Ginsberg uit 1952, die de schrijver van On the road laat weten van het manuscript niet gecharmeerd te zijn: 'Ik zie niet in hoe dit ooit gepubliceerd zou kunnen worden.' Vooral de door Kerouac ontwikkelde stijl van spontaneous prose, met zijn wilde associaties en verachting voor de chronologie, is aan Ginsberg in 1952 nog niet besteed. Hij noemt het boek 'great but crazy in a bad sort of way'. In 1955 heeft Kerouac de verleiding niet kunnen weerstaan wraak te nemen en Ginsberg de les te lezen over diens Howl: 'very powerful' noemt hij het gedicht waarmee Ginsberg doorbrak, maar verweet de auteur vervolgens dat hij de eerste, in één nacht onder het gebruik van diverse amfetaminen geschreven versie vervolgens nog had bijgewerkt.

Ann Charters, bezorgster van deze selectie uit Kerouacs brieven, heeft de auteur persoonlijk leren kennen in 1966, toen zij een biografie over hem schreef. In het voorwoord bij deze selectie brieven - een tweede met brieven uit 1957 tot aan Kerouacs dood zal nog volgen - schrijft zij dat Kerouac al in 1966 alles wat op zijn schrijverschap betrekking had, thuis netjes had gearchiveerd, kennelijk rekening houdend met latere belangstelling voor zijn schriftelijke nalatenschap. Veel van de hier afgedrukte brieven - welke criteria voor de selectie zijn gebruikt deelt Charters ons helaas niet mee - wekken ook de indruk zorgvuldig, als onderdelen van een oeuvre, geschreven te zijn. Ze zijn vaak getypt, blijkens Kerouacs veelvuldige excuses voor de kwaliteit van de gebruikte schrijfmachine.

Waar in de brieven niet erg veel nieuwe roddel en achterklap is te vinden, geven ze wel inzicht in de ontwikkeling van Kerouacs schrijverschap. In de jaren veertig overheerst nog een zekere houterigheid - Kerouac was van huis uit Franstalig en ging er prat op voor zijn zevende levensjaar nog nooit een woord Engels te hebben gesproken. In de jaren vijftig doet ook in de brieven het spontaneous prose zijn intrede, compleet met veel kapitalen in de tekst en ontboezemingen als: 'WAK! LAK! SMAK! TRAK! SHAK! YOK! POCK-SMOCK-'.

In 1955 stelde Kerouac voor het eerst een recept op voor het schrijven van spontaan proza. Punt 1 daarvan ('Write on, can't change or go back, involuntarily, unrevised, spontaneous, unconscious, pure') laat zich voor mogelijke navolgers nog wel ter harte nemen, maar daarna wordt de lijst toch meer een uitdrukking van Kerouacs eigen, unieke schrijverschap. Wat bijvoorbeeld te denken van raadgeving 27: 'Writer-Director of Earthly Movies produced in Heaven, different forms of the same Holy Gold'. Ook hier echter geen woord over drugs, die bij het spontane schrijven toch een belangrijke rol hebben gespeeld.

In haar wel erg summier uitgevallen verantwoording bij de Selected letters gaat Charters helaas niet in op de juridische strijd die is ontbrand naar aanleiding van de (schriftelijke) nalatenschap van Kerouac, waarvan de waarde op ongeveer tien miljoen dollar wordt geschat. De nalatenschap berust thans bij Kerouacs laatste echtgenote, die bij het overlijden van de schrijver al een derde had gekregen en de resterende tweederde kreeg na het overlijden van Kerouacs moeder. Jan Kerouac, dochter uit een eerder huwelijk van de schrijver, eist de nalatenschap op en maakt daarbij gebruik van een brief van Kerouac waarin deze kort voor zijn dood zou hebben gezegd van zijn vrouw te willen scheiden. Deze laatste bestrijdt de echtheid van de brief.

Het is een lelijke strijd, die ook licht werpt op de lelijke kanten van het woelige leven van de beat-schrijvers. Want Jans moeders werd door de schrijver verlaten toen ze zwanger was, en de dochter heeft haar vader maar één keer gezien, een jaar voor zijn dood. Veel belangstelling had hij niet voor haar, want net was zijn favoriete programma op de televisie, de Beverley Hillbillies.

Vuurwapens

Ooit de inhoud van uw dromen haastig neergeschreven op een bloknootje naast uw bed, voordat ze verloren gaan? William Burroughs, nestor van de beat-generation wel, en dat levert een heel leesbaar boek op: My education, a book of dreams. De gedachtenwereld van de dromende Burroughs wijkt niet zeer af van die van de wakende schrijver. Zo spelen vuurwapens een belangrijke rol - een van de sleutelgebeurtenissen van Burroughs leven was dat hij in 1951 zijn toenmalige echtgenote dodelijk trof toen ze een Wilhelm Tell-spelletje deden, waarbij de schrijver een glas van haar hoofd wilde schieten. In zijn dromen merkt Burroughs op dat aan het principe van vuurwapens sinds 1911 ('de ontdekking van het semi-automatisch mechanisme') eigenlijk niets wezenlijks is veranderd.

Burroughs beschrijving van zijn dromen is niet zeer analytisch of duidend, meer anekdotisch. Er treden veelal bestaande personen in op, van andere beat-writers tot de Rolling Stones. Het gaat weliswaar om flarden - met als terugkerend element reizen naar het 'land van de dood' - maar de zorgvuldige en soms fraaie formuleringen (eye-candy is iets dat er lekker uit ziet) doen vermoeden dat de krabbeltjes van het bloknootje naast Burroughs bed wel degelijk een krachtige redactie hebben ondergaan.

Het zijn maar drie toevallige publikaties van zeer uiteenlopende aard, die hier behandeld worden. Toch dringt de gedachte zich op dat van deze drie auteurs Jack Kerouac vermoedelijk het meest een echte schrijver is geweest. Voor een deel komt dat doordat Kerouac veilig dood is natuurlijk - we komen hem niet meer tegen als potsemaker op dichtersavonden of als amateurschilder, want ook op dit laatste terrein beweegt Burroughs zich de laatste jaren. Ginsberg, Kerouac en Burroughs kunnen er alle drie op bogen gekwelde geesten te zijn geweest - eerste voorwaarde voor romantisch kunstenaarschap - maar het is Kerouac die aan de kwelling het meest literair inhoud heeft gegeven, zoniet in kwaliteit dan toch zeker in aantal romans (18).

Misschien is de voornaamste handicap van Ginsberg en Burroughs wel dat hun non-conformistische levensstijl van weleer inmiddels zo'n cliché is geworden. In de jaren zeventig gingen de kinderen van middle America immers massaal het pad op dat in de jaren vijftig nog zo exclusief was geweest: mescaline, LSD, het stond ervoor, en massaal ondernamen jeugdigen de lifttocht naar Mexico of Marokko - al deze culturele uitvindingen van de beat-generation vielen aan vulgarisatie ten prooi. Zelfs de homoseksuele liefde is verworden tot een verschijnsel waarvan nauwelijks nog sociale provocatie uitgaat.

Dit maakt van Ginsberg en Burroughs op een bepaalde manier vertederende oude mannen, wier preoccupaties eigenlijk alleen nog maar in de context van hun jeugd begrijpelijk zijn. De gezelligheid is gebanaliseerd, slechts teksten blijven over.