De IJssel als toeverlaat; Kader Abdolah verhaalt sober over vluchtelingen

Kader Abdolah: De meisjes en de partizanen. Uitg. De Geus, 138 blz. Prijs ƒ 29,90.

'Ik werd niemand.' En: 'Wie weg is, is weg.' Ook in zijn tweede verhalenbundel formuleert de uit Iran afkomstige schrijver Kader Abdolah een paar keer kernachtig het lot van de vluchteling. De balling is niemand omdat degenen die hem verwekten en zich een voorstelling maakten van de 'iemand' die hij zou worden, die voorstelling niet meer kunnen toetsen. En hij is weg, ècht weg, zo maakt het beeldschone verhaal 'De brieven' scherp duidelijk, omdat alle vormen van indirect contact ontoereikend zijn.

Wat de PTT's van deze wereld daarover ook beweren, moderne communicatie-technieken bevestigen het weg-zijn slechts. Voor de vluchtelingen die de hoofdpersonen zijn van de meeste verhalen in deze bundel, is de continuïteit verbroken. Ze zijn definitief verdwenen uit de wereld waarin ze samenhingen met anderen. 'Op mijn voorhoofd,' schrijft Abdolah in het verhaal 'Rivieren zijn getuigen', 'staat niets anders dan 'vlucht' geschreven en 'eeuwig heimwee'.'

Het is de enige keer dat het woordje heimwee valt in De meisjes en de partizanen. Dat is kenmerkend voor de manier waarop Abdolah, die in 1988 naar Nederland uitweek, over het vluchtelingschap schrijft. Emoties zijn er wel, maar ze worden met omtrekkende bewegingen benaderd en opgeroepen. Abdolahs Nederlands bijvoorbeeld, is sober, maar niet on-poëtisch, en verraadt een heel zorgvuldig schrijven. Bovendien concentreert hij zich in deze nieuwe verhalen niet op de heimwee zelf, maar op de handelingen die daaruit voortvloeien.

Vaak zijn dat pogingen om de continuïteit te herstellen - met de ontoereikende middelen die Nederland daarvoor te bieden heeft. Zo krijgt in 'Rivieren zijn getuigen' en 'De brieven' de IJssel de rol van steun en toeverlaat toebedeeld die de 'rivieren in mijn vaderland' hebben. Onder meer na de dood van de vader van de verteller, ver weg in Iran. 'Soms zingen ze. Soms schreeuwen ze, soms huilen ze stil met ons mee.' En in 'Marcia' ondergaat een Nederlandse vrouw een onwaarschijnlijke metamorfose: ze neemt de gedaante aan van de zuster van de hoofdpersoon. Net als de zuster verdwijnt zij, alleen in de herinnering wat sporen achterlatend.

Sterk is ook het in Duitsland spelende 'Hasan Garibi'. De breuk met de vertrouwde wereld veroorzaakt bij de blinde hoofdpersoon van dat verhaal een door hem nauwelijks benoembare wrok jegens het land dat hem heeft opgevangen. Uiteindelijk neemt hij op een nogal treurige manier wraak op een Duitse taxichauffeur, die hem onbedoeld zijn afhankelijkheid van vreemden heeft duidelijk gemaakt.

Dat wat onuitgesproken blijft, maakt in dit proza de meeste indruk: het gaat vrijwel steeds om - irrationele - handelingen die het verdriet moeten bezweren. 'Wij huilen niet. Wij huilen niet.'

De bundel bevat één verhaal dat thematisch van de rest afwijkt, en dat is meteen de zwakste bijdrage. Het is de enige keer dat Abdolah kiest voor het perspectief van een - vrouwelijke - autochtone Nederlander. Anders dan in de rest van de bundel laat Abdolah hier elke afstand tot het gevoelsleven van de hoofdpersoon varen. En dat levert ondanks de mooie slotzin een draak van een verhaal op, waarin 'verlangens' maar niet ophouden te 'branden'.

Dat neemt niet weg dat Abdolah in deze tweede bundel zijn talent bevestigt. In het poëtische, vermoedelijk autobiografische openingsverhaal 'En toen waren wij aan de beurt', haalt de verteller herinneringen op aan familiebijeenkomsten in zijn jeugd. Daarbij werd onder een oude treurwilg verhaald over de overgrootvader, in wiens gedichten 'magie' zat: ze leefden voort na zijn dood. Het heeft er alle schijn van dat die continuïteit niet is verbroken.