'De communisten zijn nooit weggeweest'

Democratie en de vrije-markteconomie zijn in Bulgarije zes jaar na de val van het socialisme nog slechts betrekkelijke begrippen. Wie een bedrijf wil beginnen stuit op talloze onvermoede moeilijkheden.

SOFIA, 7 JULI. “Je zult me wel voor gek verklaren, maar ik had een droom, elke nacht, een maand lang: ik moest een café bouwen, op de begane grond van mijn flat, in de ruimte waar de vuilnisvaten stonden. Op een gegeven moment ben ik na zo'n droom om drie uur 's nachts opgestaan, ik heb een schep gepakt en ik ben die ruimte gaan uitmesten.”

Ivan Simeonov kan er nog om lachen - maar dat café is er gekomen, in de 20 April-Straat in Sofia, ondanks het verzet van de bewoners van de flat, die dat café niet zo zagen zitten omdat het een deel van de stoep in beslag neemt, en ondanks alle bureaucratische belemmeringen, want dat het leven van de particuliere zakenman er in het nieuwe, marktgerichte Bulgarije eenvoudig op is geworden kan moeilijk worden beweerd. Dertien instanties moest ik af, zegt Simeonov, en overal lag men dwars. “Ze hebben me alleen mijn gang laten gaan omdat ze verwachtten dat het toch allemaal zou mislukken.” Maar het is niet mislukt, zegt Simeonov: het café liep als een trein en er is inmiddels een restaurant bijgekomen.

Simeonov (44, T-shirt, gouden armbandje en gouden kruisje op de borst) oogt als een atleet en is een atleet: hij was schermkampioen, nam aan vijf Olympische Spelen deel, traint sinds 1970 de nationale ploeg en is in Bulgarije zeer populair. Hij is ook nog arts, en heeft de rang van kolonel in het leger en hij heeft nog een eigen sportschool ook. Het heeft hem geen windeieren gelegd, want zonder die achtergrond, de achtergrond van een vechter, zegt hij, had hij het nooit gered. Bulgarije mag dan de markteconomie hebben omhelsd, voor de privé-ondernemer wordt hoegenaamd niets gedaan: krediet is niet of moeilijk te krijgen, de bureaucratie is verstikkend, de ambtenarij corrupt en de criminaliteit een permanente bedreiging.

Die criminaliteit is nog de ergste plaag. Schimmige mafiose organisaties eisen 'beschermingsgeld' in de vorm van 'verzekeringspremies'. De winkelier of zakenman of restaurateur die niet betaalt wordt in elkaar geslagen of ziet zijn bedrijf in vlammen opgaan. Vrijwel elke winkel in Sofia heeft een vignet in het raam van zo'n 'verzekeringsbedrijf': VIS-2 heet het, of SIC, of 777. De politie kan niets doen: de mafiosi zijn rijker, sterker, sneller, beter bewapend en juridisch moeilijk aan te pakken. Bang hoeven ze slechts voor elkaar te zijn: de baas van VIS-2, een ex-worstelkampioen, werd onlangs vermoord in zijn Mercedes gevonden, slachtoffer van een afrekening binnen de onderwereld.

Simeonov heeft dat café vier jaar geleden met eigen geld en geld van zijn familie en met zijn eigen handen opgebouwd. Muren werden uitgebroken en er werd een glazen stellage gebouwd, bij het lassen, zegt hij, gebruikten we geen masker want dat hadden we niet. “Het was een onmenselijke tijd.” Een vriend uit Griekenland stuurde een koffiezetapparaat, bij een drukkerij haalde hij metalen cilinders die zich als bloempotten lieten gebruiken. Een andere vriend schonk twee liter vruchtensap, ik kocht zelf een liter wodka, een liter gin en een halve kilo koffie, en zo, zegt hij, begonnen we dat café.

Het lukte. “De mensen zagen dat we eerlijk waren en hard werkten, het werd een buurtcafé, het enige in de verre omtrek, gezellig en schoon, geen luxe plek.”

De politieke ontwikkelingen van de afgelopen jaren hebben hem op het idee van het restaurant gebracht. “Nu zijn de communisten weer aan de macht. De oude instituten komen terug, oude mensen met oude denkbeelden, de fossielen van vroeger”, zegt hij. “Ik zie hen mijn café nog wel opdoeken, want dat neemt nog steeds te veel stoep in beslag. Maar een restaurant is misschien wat moeilijker aan te pakken.”

Simeonov vestigde zijn restaurant een paar honderd meter van zijn café, aan de Antim de Eerste Straat, in een afbraakbuurt van lege pakhuizen en vervallen flats. Restaurant Flesj is niet makkelijk te vinden. “Achter het politiebureau”, zette hij ter toelichting op zijn visitekaartje. Hij geeft toe: aantrekkelijk is de ligging niet. Maar hij heeft er van gemaakt wat er van te maken was: het restaurant is een eiland van groen geworden, omringd door hoge bomen en klimop. “Die slechte ligging is uiteindelijk een voordeel, mensen kunnen zich hier ongestoord terugtrekken, door die muur van groen zijn ze afgeschermd, het is intiem en privé. Ideaal voor de ontrouwe echtgenoot”, zegt hij. Zestig plaatsen heeft hij, en een prima keuken. Het huis heeft hij gehuurd, van een echtpaar dat in Duitsland woont, de oude vader woont hier nog.

Ook het restaurant loopt goed, “al zijn we geen professionals”. Zijn motto, zegt hij, is: niet stelen maar denken. En denken moet hij veel, want alles moet hij zelf doen. “Niets is moeilijker hier dan goede mensen te vinden.” Er werken nu drie mensen in het café en veertien in het restaurant, maar Simeonov heeft in twee jaar liefst tien koks en dertig andere personeelsleden ontslagen omdat ze stalen, lui waren of zich onbeschoft gedroegen tegen de klanten. “De mensen werken niet. Hun is vijftig jaar lang afgeleerd om te werken. Als ik met dit restaurant ooit ophou zal het zijn bij gebrek aan goed personeel.”

Ook op andere gebieden is het privé-ondernemerschap een guerrilla tegen een tegenwerkende buitenwereld. “Alles is chaos en anarchie hier. De ene regering doet niets anders dan de maatregelen van de vorige ongedaan maken. De ene maakt herstelwerkzaamheden aftrekbaar voor de belasting, en de volgende verandert dat weer. Belastingregels zijn belemmerend. Of de particuliere sector in dit land van de grond komt kan niemand iets schelen, ook de zogenaamde democraten niet.” Dit land gaat te gronde, zegt Simeonov. “In de negende eeuw hadden we een universiteit terwijl nu de leraren verhongeren. Vijf jaar geleden was dit een voedselexporteur, nu eten we Griekse appelen en tomaten. Volgens mij zijn die communisten nooit weggeweest, de hele euforie is misschien wel gewoon kunstmatig geschapen om de mensen te hersenspoelen. En overal is criminaliteit en banditisme. Ik heb nooit zoveel voorbeelden van ongelooflijk bedrog gezien als in deze laatste twee jaar.”

Op de groothandelsmarkt in de voorstad Iljentsi waar hij zijn voedsel inkoopt bijvoorbeeld, waar meer vervalste alcoholische drank dan authentieke wordt verkocht: flessen waar iets anders inzit dan het dure etiket belooft. “Je realiseert je pas dat het vals is als je de volgende dag in het ziekenhuis wakker wordt.” Hij moet elke fles controleren, zegt hij, elke fles moet een certificaat hebben. “Dat wist ik allemaal niet toen ik hieraan begon, maar gelukkig ben ik een vechter.” Het is hard werken, zegt hij, “ik ga om drie uur naar bed en sta om zes uur op”. Maar het is de moeite waard: “Dit is mijn hobby. Ik hoef dit niet te doen, ik train nog steeds de schermers en ik heb mijn sportschool. Maar dit is leuk, ik hoef niet rijk te worden, ik hoef geen glitterdingen, maar ik kan wel als ik wil elke dag naar Holland.”

De prijs echter is hoog, in frustratie, in werkdruk, in de dagelijkse strijd tegen een onwillig overheidsapparaat, en in de noodzaak altijd alert te zijn. Dat het restaurant loopt, zegt Simeonov, komt door zijn persoonlijke populariteit en de mond-tot-mond-reclame van zijn klanten. “Er komen hier inmiddels ministers en premiers.” Maar veel kan niet. Adverteren kan bijvoorbeeld niet, “dat zou criminele benden aantrekken”. Die hebben zich in het begin ook wel gemeld, met hun eis voor 'protectiegeld'. Maar Simeonov is niet voor niets een atleet: waar anderen zich bang laten maken en zwichten, gaat hij op de vuist. Hij hield daar die keer een zware hoofdwond aan over, maar de mafia is niet meer teruggekomen. Alleen: je moet de goden niet verzoeken, en dus is het beter niet te adverteren.

En als ze toch terugkomen, die mafiosi? “Ik vecht terug. Ik val voor niemand om en ben voor niemand bang. Ik sluit mijn zaak nog liever”, zegt hij. Hij lacht. “Ginds ligt het politiebureau. Als ik heel hard roep, kunnen ze me misschien horen.” Maar ook Ivan Simeonov weet wel dat het zelfs dan niet waarschijnlijk is dat de politie hem daadwerkelijk te hulp komt, want voor de nieuwe criminelen is de politie heel wat banger dan omgekeerd.