Veel artsen helpen depressieve oudjes niet omdat het normaal is

Ouderen met een voorgeschiedenis van psychiatrische klachten vóór het 65ste levensjaar lijden ruim twee maal zoveel vaak aan een depressie dan ouderen zonder eerdere psychiatrische klachten. Ouderen met depressie en psychiatrische voorgeschiedenis hebben ook een grotere kans te overlijden, niet alleen door zelfmoord. Dit verklaart dat hoe ouder mensen worden, hoe minder er depressie voorkomt. Dit schrijft R.L. van Ojen, arts-onderzoeker aan de Vrije Universiteit, in zijn proefschrift over de oorzaken van depressies bij ouderen waarop hij 28 juni promoveerde. Van Ojen werkt binnen het Amstelproject, een onderzoek onder 4.000 thuiswonende ouderen in de leeftijd van 65 tot 85 jaar.

Van Ojen onderscheidde drie verschillende soorten depressies. Als eerste zag hij de organische drepressie die verband houdt met verval van de hersenen. De depressie gaat dan samen met cognitieve achteruitgang. Bij patiënten met deze depressie komt relatief vaker het syndroom van Down in de familie voor. Patiënten met dit syndroom krijgen op latere leeftijd vrijwel allemaal de ziekte van Alzheimer. Milde cognitieve stoornissen in combinatie met psychomotorische remming, verwardheid, prikkelbaarheid en suïcidaliteit bij ouderen zònder psychiatrische voorgeschiedenis wijzen op een organische depressie.

De tweede vorm is de 'endogene depressie' bij ouderen met een psychiatrische voorgeschiedenis maar zonder merkbare aanleiding. Men verklaart dit wel met het begrip 'sensitisatie'. Aanvankelijk raakt iemand naar aanleiding van een ernstige gebeurtenis depressief, maar in de loop van het leven treedt de stoornis steeds gemakkelijker en ten slotte zelfs zonder enige aanleiding op. De derde vorm is het gevolg van sociale stress zoals een recente gebeurtenis of alleenwonen en een familiair bepaalde vatbaarheid. Bij deze beide niet-organische depressies komen schuldgevoelens, zelfverwijten en zelfmoordneigingen voor. Bij de endogene depressie werd bij de onderzochten vier maal zo vaak op zichzelf gerichte agressie gezien. Volgens Van Ojen zijn recidieven van endogene depressies het gevolg van aanhoudende op zichzelf gerichte agressie.

Net als bij jongere leeftijdscategorieën komen depressies bij ouderen twee maal zo vaak voor bij vrouwen. Bij ouderen is er echter geen direct verband tussen depressie en vrouwelijk geslacht, maar wel tussen vrouwelijk geslacht en sociale stress (vooral het alleenwonen) enerzijds en angststoornissen anderzijds. Met deze factoren kan de samenhang tussen geslacht en depressie worden verklaard.

Sommige artsen zien wel een depressie bij ouderen, maar behandelen die niet, omdat dit niet als een ziekelijke stoornis maar als een begrijpelijke reactie wordt gezien op het vele verlies dat een mens op oudere leeftijd verwerken moet. Dat laatste vindt Van Ojen onjuist. Depressies hebben bij ouderen vaak ingrijpende gevolgen zoals een uitgesproken lichamelijke achteruitgang en een toegenomen kans op overlijden of een chronisch beloop. Daarom is een actief diagnostisch en therapeutisch beleid bij ouderen met depressies gewenst.