'Rechten van de mens in het geding bij activiteit VN'

ROTTERDAM, 6 JULI. De Verenigde Naties hebben grote moeite te wennen aan de verandering van hun rol sinds het einde van de Koude Oorlog. Bij vredesoperaties komt de bescherming van de rechten van de mens regelmatig in het geding, zo concludeert Amnesty International in zijn vandaag gepubliceerde Jaarboek 1995.

Volgens de mensenrechtenorganisatie hebben “schendingen van de mensenrechten in toenemende mate plaats op straat in plaats van in de cel”. Met de formulering 'op straat' wijst Amnesty op de grote geweldsuitbarstingen in onder andere Rwanda, Burundi en het voormalige Joegoslavië.

Sinds het einde van de Koude Oorlog is het aantal operaties voor vredeshandhaving van de VN toegenomen maar in de uitvoering signaleert Amnesty twee problemen. Ten eerste is er een toename van militaire operaties die niet direkt onder het bevel van de VN zelf staan maar wel door de volkerenorganisatie zijn goedgekeurd. Voorbeelden zijn de acties van de Verenigde Staten op Haïti en van Frankrijk in Rwanda. Het beschermen van mensenrechten komt soms in het nauw bij de uitvoering van de militaire operaties. Amnesty dringt aan op een uitbreiding van het toezicht op dergelijke operaties.

Ten tweede wordt bij operaties die wel onder VN-bevel staan, het beschermen van de mensenrechten vaak “lukraak” uitgevoerd, aldus Amnesty. De organisatie wijst op het gebrekkige overleg tussen het hoofdkwartier van de VN in New York en een specialistische VN organisatie als het Centrum voor de Rechten van de Mens in Genève. Als gevolg hiervan “zijn de VN soms slecht toegerust om in conflicten als dat in Somalië de mensenrechtenaspecten aan te pakken omdat vaak de noodzakelijke kennis en hulpmiddelen ontbreken om een daadwerkelijke invloed te kunnen uitoefenen”.

Nieuwe mogelijkheden voor een verbetering van deze coördinatie ziet Amnesty in de aanstelling van de eerste Hoge Commissaris voor de Rechten van de Mens in 1994. Deze zou zorg moeten dragen voor de vroegtijdige “integratie” van de problematiek van de mensenrechten in de besluitvorming van de VN.

Een groot probleem is de onwil van regeringen om mee te werken aan het ophelderen van schendingen van de mensenrechten in eigen land. De installatie van de Hoge Commissaris zou tot een verbetering moeten leiden omdat hij “in staat is zowel vertrouwelijke gesprekken als openbare verklaringen te gebruiken om regeringen over te halen, zo nodig door hen te kijk te zetten, om samen te werken met het VN-apparaat”.

Amnesty signaleert echter ook dat landen onwillig zijn steun te verlenen aan operaties in andere landen. Op 2 augustus 1994 diende de Hoge Commissaris een verzoek in voor 2,1 miljoen gulden voor het sturen van waarnemers naar Rwanda. Eind 1994 was deze operatie nog steeds niet op volle sterkte.

Een ander probleem is dat het werk in de Commissie voor de Rechten van de Mens van de VN in Genève telkens weer wordt tegengehouden door regeringen “die dachten uit eigenbelang te handelen” als ze regimes met een slechte reputatie op het gebied van de mensenrechten steun geven. “Schaamteloos ging de Commissie voorbij” aan schendingen in Algerije, China, Indonesië, Peru en Turkije, aldus Amnesty.