Provincie tracht aantasting te stoppen; Friese terpen bewaren een schat aan gegevens

Twee derde van het Friese terpenbestand is er slecht aan toe. Steeds meer gemeenten en landbouwers zien het nut in van bescherming van terpen.

LEEUWARDEN, 6 JULI. De bouw van een diepe stal, samenvoeging van terpen door ruilverkaveling, de afgraving van vruchtbare terpaarde, te diep ploegen. Het zijn enkele oorzaken van de ernstige aantasting van waardevolle Friese terpen in de loop der jaren, zegt archeoloog dr. G. de Langen van de Stichting RAAP (Regionaal Archeologisch Archiverings Project).

De Langen is leider van het projectteam 'Bescherming op Maat', dat in opdracht van de provincie Friesland in 1992 begon met als doel ruim duizend archeologisch waardevolle terreinen te inventariseren. Het team onderzoekt naast de ongeveer zevenhonderd terpen ook plaatsen waar ooit middeleeuwse kloosters, boerenstinsen, nederzettingen uit de steentijd en overslibde nederzettingen uit de Romeinse tijd lagen. Met behulp van boringen worden grondmonsters bekeken die inzicht geven in de opbouw van de bodem. Ook hoogtemetingen, veldkartering en metaaldetectie moeten duidelijkheid geven over zeldzaamheid en gaafheid van een archeologisch terrein. Hierna wordt een advies gegeven hoe de terp of het kloosterterrein het best bewaard kunnen blijven.

De Langen is blij dat de provincie geld wilde vrijmaken voor het terpenonderzoek. In zijn ogen bewijst het dat Friesland belang hecht aan het bewaren van het waardevolle, karakteristieke Friese terpenlandschap, dat een voor de archeoloog interessant en waardevol bodemarchief bevat.

De Stichting RAAP heeft de afgelopen drie jaar nu ruim driehonderd van de duizend Friese archeologische vindplaatsen onderzocht. Uit het onderzoek blijkt dat de kwetsbare terpen er niet al te best aan toe zijn en dat de aantasting voortgaat. Behalve grondegalisatie, ruilverkaveling, wegenaanleg en bebouwing veroorzaakt ook normaal agrarisch gebruik al schade. “Als de boer zijn land omploegt, komen waardevolle voorwerpen die in ongeschonden lagen verborgen zaten, terecht in de bouwvoor. Vooral als die bouwvoor door verstuiving als gevolg van harde wind en afspoeling door regenwater dunner is geworden. Veel terpen waarop gewassen verbouwd werden, zijn de afgelopen veertig jaar anderhalve meter lager geworden”, verklaart De Langen.

Er is de afgelopen drie jaar met veel boeren gesproken, op wier land de onderzoekswerkzaamheden plaatsvonden. Want het is nog altijd boerenland waaronder de voormalige middeleeuwse boerenerven zich bevinden. Wat opviel, aldus De Langen, was de grote bereidheid van de boeren mee te werken. “Er is veel belangstelling voor opgravingen bij het publiek. Veel boeren zijn het met je eens dat je terpen actief moet beschermen, terwijl zij toch aan hun bedrijfsbelang denken. Je merkt dat ze in het verleden geïnteresseerd zijn. De meesten staan dan ook open voor ons advies om niet te diep te ploegen en dit na te laten bij nat weer.” Betere voorlichting aan akkerbouwers is gewenst, stelt De Langen, want boeren kunnen niet verplicht worden om de terpen te ontzien. “Daarvoor botsen de belangen te veel. Je zoekt een compromis.”

Er is meer nodig om archeologische terreinen te bewaren voor het nageslacht, zegt de archeoloog. Een omzetting van akkerbouwgrond in grasland biedt de beste garantie voor een optimale bescherming van de terpen. Sommige boeren hebben daar belangstelling voor. De Langen pleit in dat geval voor een financiële compensatie voor de boeren. “De beste oplossing zou zijn wanneer de overheid het land aankoopt en het vervolgens onder bepaalde voorwaarden in beheer geeft aan de boer. Dat kost natuurlijk geld, maar dat zou moeten worden vrijgemaakt.” Een politieke keuze, beseft hij. “Maar wil je terpen en andere waardevolle archeologische bodems bewaren, dan moeten keuzes gemaakt worden.”

Verder moeten terpen worden ontzien bij de aanleg van wegen, industrieterreinen, uitbreidingen van woonkernen en ingrijpend grondwerk. De Langen wijst op de terp bij het Friese Beetgum die eind jaren tachtig voor de aanleg van een weg moest wijken. Pas nadat de Rijksdienst voor het Oudheidkundig Bodemonderzoek (ROB) aan de bel trok, mochten archeologen te elfder ure nog even snel de bodem bestuderen. De Langen: “Op het laatste moment mag je dan een weekje scherven rapen. Heel veel archeologische bodems zijn daardoor onbestudeerd verloren gegaan.”

De waardevolste en best bewaarde terpen van Friesland liggen in het kleigebied van Noord-Westergo, in het noordwesten van de provincie. De terpen bevatten een schat aan gegevens. Volgens De Langen gaat het niet zozeer om de losse archeologische voorwerpen, als wel om de context waarin die gevonden worden. “We willen vergelijkingen kunnen trekken tussen verschillende vroege nederzettingen. Hoe rijk waren ze, hoeveel personen leefden er, welk soort aardwerk werd gebruikt, hoe groot was de veestapel. Ligt er een grafveld bij dan kun je zelfs iets te weten komen over ziektes en levensverwachting.” Wordt een terp aangetast, dan verdwijnen waardevolle gegevens. “Vergelijk het met archiefstukken die ongelezen vernietigd worden. Het is onmogelijk een waardevol archeologisch terrein te reconstrueren. Is het één keer verdwenen, dan is dat voorgoed.”

Niet alleen uit archeologisch oogpunt moeten terpen behouden worden, vindt De Langen, terpen bezitten ook landschappelijke en economische waarde. “Een terp geeft het landschap een bepaalde gevoelswaarde. Friesland, Groningen en Ost-Friesland zouden zich met hun terpenlandschap op Europese schaal kunnen profileren.” Hij geeft als voorbeeld de aanleg van een internationale toeristische fietsroute langs de terpen. De Langen beklemtoont dat meer voorlichting over de abominabele staat van de terpen noodzakelijk is. Een te bouwen terpdorp met prehistorische en middeleeuwse boerderijen, een stinswier met een gracht eromheen en een voorlichtingscentrum zou in dit opzicht geen overbodige luxe zijn.

Beter overleg met overheden is een voorwaarde om terpen in de toekomst beter te kunnen beschermen, stelt De Langen. Hij kreeg afgelopen drie jaar hoopvolle signalen. De gemeente Franekeradeel legde zijn team onlangs een bestemmingsplan ter controle voor. En laatst vroeg de gemeente Tytsjerksteradiel om in Burgum een oud kloosterterrein te bestuderen, toen het huidige kerkhof moest worden uitgebreid. De gemeente Nijefurd vroeg sporen te zoeken van een oud blokhuis op de plaats waar nu een voetbalveld ligt. “Het positieve is dat steeds meer Friese gemeenten rekening willen houden met hun bodemschatten. De waardevolste archeologische vindplaatsen worden dan in elk geval beschermd.”

Die bescherming zal nog verbeteren, verwacht De Langen. Nederland ondertekende twee jaar geleden het Verdrag van Malta, waarin regeringen van de Europese Unie afspraken dat de verstoorder betaalt wanneer bij de aanleg van een weg of gebouw een waardevol archeologisch monument verloren dreigt te gaan. Hoe het Verdrag precies wordt uitgevoerd is nog onduidelijk. De Tweede Kamer moet het nog goedkeuren. Langen verwacht dat er een preventieve werking van kan uitgaan. “Overheden zullen hun archeologische terreinen beter willen leren kennen, zodat archeologische vindplaatsen op tijd buiten nieuwe plannen worden gehouden. Geen gemeente wil immers voor extra kosten komen te staan. Meer vindplaatsen kunnen zo worden bewaard.”

Toch voorziet De Langen nog problemen. Bepaalde gemeenten lopen met hun archeologische monumentenzorg ver achter. Ze missen een betrouwbaar beeld van hun bodemarchief. Om dit probleem te ondervangen wil RAAP 'verwachtingskaarten' maken, waarop aan de hand van bestaande bodemkaarten en eerder gevonden voorwerpen kan worden aangegeven waar de kans op archeologische resten het grootst en het kleinst is. De Langen: “Dat geeft planontwikkelaars een eerste houvast. Stel dat er per se een snelweg door een monument moet worden aangelegd. Voor die verstoring moet worden betaald, want eerst moeten er opgravingen plaatsvinden. Dat kan een gemeente al gauw enkele tonnen kosten.”