PAESCHEN

Den Engel is voorbij: de grouwelicke nacht

Der eerstgeborenen is bloedeloos verstreken:

Ons' deuren zijn verschoont; soo warense bestreken

Met heiligh Paeschen-bloed, dat d'uytgelaten macht

Die Pharâos kinderen en Pharâo t'onderbracht

Doorgaens verschrickelick, verschrickt heeft voor het teeken.

Wij zijn door 'troode Meer de slavernij ontweken

Aegypten buytens reicks. Is alle dingh volbracht?

Is 'tschip ter haven in? Oh! midden in de baren

De baren van ons bloed, veel holler dan dat meer.

Den Engel komt weerom en 'tvlammige geweer

Dreight niewen ondergang. Heer, heet hem over varen.

Merckt onser herten deur, o Leeuw van Iudas Stamm

En leert ons tydelick verschricken voor een Lamm.

Constantijn Huygens (1596-1687)

Obsederender, ja verontrustender kan een gedicht nauwelijks beginnen:

Den Engel is voorbij: de grouwelicke nacht

Der eerstgeborenen is bloedeloos verstreken:

Men begrijpt zonder enige uitleg al dat er niets lieflijks aan is, dat daar een Engel voorbijging dat het niet zoiets is als het God ging voorbij van de moerbeitoppen, of het grappige daar ging een dominee voorbij - nee, dat deze Engel voorbij is, het is een verzuchting, een hartekreet, een diep-ademhalen: hier is iemand aan een dans ontsnapt. De zinnen staan er kaal en exact bij, en in de tegenwoordige tijd: het is of de dichter de gebeurtenis als iets unieks en actueels op zichzelf betrekt, of hij zijn individuele nood klaagt - en toch gaat het, zoals de lezer bij het zien van de woorden eerstgeborenen en de met bloed bestreken deuren al snel begrijpt, om het mythische, op de Israëlieten in Egypte betrekking hebbende verhaal van Exodus, hoofdstuk 12. Om de Engel des verderfs ('de verderver' wordt hij in 12:23 genoemd) die het uitverkoren volk spaart.

Het is het verhaal van het Pascha, het feest van de Voorbijgang (in het Engels Passover). De dichter Huygens speelt er een spel mee of het gisteren is gebeurd, of dat oude joodse feest de benauwdheid van zijn ziel verbeeldt, alsof het zijn deur is die werd ontzien, de poort van zijn ziel. De losgeslagen macht, zelf zo verschrikkelijk, is verschrikt teruggedeinsd, zóveel bloed van het paaslam was er aan zijn deur gesmeerd. De met bloed doordrenkte nacht is, als het ware homeopathisch, 'bloedeloos' verlopen. Is alle dingh volbracht? Zijn we dan eindelijk veilig?

Intussen heeft Huygens het beeld geografisch en historisch al weer verruimd door de farao, Egypte en de Rode Zee te noemen. Dan, na een lichte hapering, zet het sextet in met

Is 'tschip ter haven in? Oh! midden in de baren

De baren van ons bloed, veel holler dan dat meer.

en meteen zijn we bij het innerlijk en de individuele ziel terug. We zijn nooit veilig, het gevaar is nooit geweken. Het heilig Paasbloed heeft een gedaanteverandering ondergaan - van het verlossende bloed is het het bloed van onze hartstocht en lust geworden: de baren van ons bloed die onstuimiger zijn dan welke Rode Zee ook. Het uitroepteken achter Oh! loopt alvast vooruit op het uitroepteken dat achter veel holler dan dat meer hoort, maar daar in heel zijn afwezigheid de punt benadrukt als leesteken van verbijsterde constatering.

Den Engel komt weerom...

En ook de Engel komt weerom in een gedaanteverandering: ditmaal is het de Engel met het vlammende zwaard, de Engel die bij de paradijspoort stond en onze doodsengel is:

Heer, heet hem over varen.

Een ziel in nood bidt bondig. In de beide slotregels wordt Huygens zelfs zo bondig, dat de beelden in een dichte knoop raken. Hij vraagt aan de leeuw om de deur van ons hart te bestrijken (te 'merken') met het bloed van het lam - als zoenoffer. En vervolgens vraagt hij niet om de engel des verderfs of de doodsengel voor onze deur te laten terugdeinzen, zoals we zouden verwachten, maar om te bewerkstelligen dat wij bijtijds zullen schrikken voor het lam - als verlosser.

Zo ongeveer, en nog het een en ander. 't Zijn heel wat knopen die Huygens in dit gedicht legt, zonder dat er zelfs nog een woordspeling aan te pas komt. 't Is een heel web van dubbele en vlietende betekenissen, van gedaanteveranderingen en precieus leentjebuur-spelen. Je zou buiten adem raken als je het allemaal zou willen bijhouden: dat overspringen, en vice versa, van Pascha naar Pasen, van magisch offerlam naar het paaslam Christus, van zeegolven naar bloedgolven, van het bloed als talisman naar het bloed als erfzonde, van het verdoemd zondaarsbloed naar het bloed aan de deurposten van onze uitverkoren ziel, van het ik naar de mythe, van de tijd nu naar de tijd toen, van het eerste Pascha naar de eeuwige terugkeer, van de schrik als dreiging naar de schrik als redding, van God als leeuw naar God als lam, hou me vast, het is een sonnet om duizelig van te worden.

Maar 't valt niet dood te verklaren, dit vijfde van de negen wonderbaarlijke sonnetten die de Heilighe Daghen vormen en die, als in een uitbarsting, in de eerste week van 1645 ontstonden. Het is met het gedicht Paeschen als met een schilderij van Vermeer, het blijft na alle uitleg even raadselachtig: al geef je nog zoveel commentaar bij de raadselachtigheid van afzonderlijke onderdelen, de raadselachtige schoonheid van het geheel verdwijnt er niet door.