Ogoni-leider is Nigeria doorn in het oog; Proces tegen Saro-Wiwa is oneerlijk, zeggen mensenrechtengroepen

ROTTERDAM, 6 JULI. Hoe ver is de Nigeriaanse regering bereid te gaan om de radicale Ogoni-activist Ken Saro-Wiwa uit te schakelen? Saro-Wiwa zelf, die er door de Nigeriaanse regering van wordt beschuldigd stamgenoten aangezet te hebben tot de moord op vier gematigde Ogoni-leiders, heeft weinig vertrouwen meer in een goede afloop. “Als ik dit overleef, dan moet het wel zijn door de speciale genade van de Almachtige God”, aldus de activist in een brief die onlangs het militaire hospitaal werd uitgesmokkeld waar hij geacht wordt te herstellen van zijn hartkwaal. “De best uitgeruste afdeling hier is het lijkenhuis.”

De Beweging voor de Overleving van het Ogoni-Volk (MOSOP), waarvan Saro-Wiwa de voornaamste leider is, is de Nigeriaanse regering al jarenlang een doorn in het oog. MOSOP eist zelfbeschikkingsrecht voor de Ogoni's, een arm volk in het zuidoosten van het land. Daarnaast wil de beweging dat de Ogoni's een 'redelijk' gedeelte krijgen van de opbrengst van de oliewinning in het gebied en compensatie voor de schade die deze winning aan het milieu heeft toegebracht.

Toen vorig jaar mei vier gematigde Ogoni-leiders werden vermoord zag de Nigeriaanse regering haar kans schoon om MOSOP uit te schakelen. Saro-Wiwa werd met veertien andere Ogoni-activisten opgepakt op beschuldiging stamgenoten tot de moord op de vier te hebben aangezet.

Sinds het proces tegen de vijftien vier maanden geleden begon, hebben vele waarnemers al vraagtekens gezet bij de rechtsgang. Een lid van de jeugdbeweging van MOSOP dat bij de moord op de vier aanwezig was, vertelde onlangs een journalist van de Britse krant The Guardian hoe hij onder druk werd gezet door de Nigeriaanse autoriteiten. “Na de moordpartij vroeg de politie ons om een verklaring. In de mijne noemde ik geen enkele naam. Na enige tijd ontbood de regering van de deelstaat ons om onze verklaring te veranderen. Ze bedekten het papier en vroegen ons te tekenen. Wij zeiden dat we niet zouden tekenen totdat we konden zien wat er in de verklaring stond. Ze brachten ons toen geld en beloofden ons een baan. Toen dreigden ze dat wij ook in staat van beschuldiging zouden worden gesteld, waarop we tekenden.”

Inmiddels hebben de raadslieden van Saro-Wiwa zich teruggetrokken uit protest tegen de gang van zaken nadat de aanklagers niet in staat waren om een videoband te overleggen met daarop een belastende verklaring voor de Ogoni-activisten. In de verklaring, die een dag na de moordpartij werd opgenomen, zou een belangrijke getuige à charge een ander verslag geven van de moordpartij dan tijdens het proces.

Of de internationale gemeenschap via diplomatieke druk op het bewind in Abuja het lot van Saro-Wiwa en zijn medestanders kan verbeteren, is vooralsnog zeer de vraag. De 'sterke man' van Nigeria, Abacha, legt kritiek op zijn mensenrechtenbeleid gewoonlijk naast zich neer en met name de Verenigde Staten zijn vooralsnog niet bereid om het harde wapen van een olieboycot in te zetten. Ogoni-activisten zelf hebben de publieke opinie in het Westen al enkele malen opgeroepen om druk uit te oefenen op Shell, een van de grootste olie-exploitanten in Nigeria. De oliemaatschappij zelf wast haar handen in onschuld. Shell trok zich in 1993 al uit Ogoni-land terug, aldus de oliemaatschappij in een reactie op een gisteren verschenen rapport van Human Rights Watch/Africa, en ziet geen aanleiding om de toestand in Ogoni-land aan te kaarten bij de Nigeriaanse autoriteiten. “Bedrijven hebben noch de taak noch het recht zich met politiek bezig te houden.”