'Ik kan te werk gaan zoals ik zelf wil'

Het traditionele eenmansbedrijf is bijna verdwenen. De bakker, de slager en de schoenmaker maken deel uit van grotere samenwerkingsverbanden of winkelketens. Maar er komen nieuwe eenmansbedrijven bij, van jonge, startende ondernemers. Vandaag de eerste aflevering in een nieuwe serie: de vioolbouwer.

Sierlijke houten bordjes met de tekst 'Ulrike Wiebel vioolbouw' wijzen de weg naar haar atelier op de bovenste verdieping van een voormalige fabriek in de Leidse binnenstad. De zonnige ruimte straalt een ambachtelijke sfeer uit: aan de zoldering hangen oude en nieuwe violen te wachten op klanten of restauratie, de wanden worden in beslag genomen door een uitgebreide collectie gereedschap en aan een lijntje hangen vioolkammen. Een apart hoekje is ingeruimd voor apothekersflessen met hars, olie en spiritus om lak te maken.

Ulrike Wiebel (“ik gebruik express mijn voornaam in de bedrijfsnaam, anders vragen mensen steeds naar de baas als ik de telefoon opneem. De vioolbouw is namelijk nog steeds een mannenwereld”) is startend ondernemer. Ze volgde een opleiding in het Zuidduitse Mittenwald, al eeuwen het centrum van de vioolbouw in Duitsland, en werkte na haar gezellenexamen zes jaar lang in ateliers in Hamburg en Den Haag. In 1993 legde Wiebel (31), Duitse van geboorte, haar meesterexamen af. Eind vorig jaar vestigde ze zich in Leiden. “In Duitsland zijn vrij veel vioolbouwers, bovendien heb ik een Nederlandse vriend”, licht ze haar komst naar Nederland toe.

Het eerste half jaar als zelfstandig ondernemer heeft ze bijna quitte gedraaid, vertelt ze met enige trots. “Maar privé gebruik ik dan ook bijna niets van mijn inkomsten.” Haar werk bestaat tot nu toe vooral uit kleine klusjes als het beharen van strijkstokken en het opknappen van instrumenten. “Ik zit nu in de fase waarin ik een naam moet opbouwen, waarin klanten via kleine opdrachten testen of je goed bent. Ook als ik relatief weinig geld krijg voor een langdurige opdracht, doe ik het toch, ik zie het dan maar als reclame voor mezelf: een contrabas repareren bijvoorbeeld, een karwei dat een 'gevestigd' vioolbouwer vaak weigert omdat het instrument zo groot is. In dit vak is het heel moeilijk om jezelf te promoten: reclame is nooit gericht genoeg, je moet het echt hebben van contacten en mond-tot-mond-reclame. Ik adverteer wel eens in programmaboekjes voor concerten, dan bereik je een belangrijke doelgroep.”

Wiebel zou het liefst twee à drie instrumenten per jaar bouwen, maar door de vele reparatiewerkzaamheden komt ze soms niet aan bouwen toe. “Een viool bouwen kun je niet even tussendoor doen, je moet echt fris zijn en inspiratie hebben.” Een viool vergt gemiddeld zo'n 250 uur werk. De kosten, circa veertienduizend gulden, bestaan voor het grootste deel uit arbeidsloon. Als klanten belangstelling tonen voor een viool, dan bouwt Wiebel een instrument en krijgt de klant 'm op zicht. Wiebel laat zich bij het bouwen vaak inspireren door oude instrumenten. “Die zijn zo mooi, zo evenwichtig dat het me gewoon raakt. Maar ik zal nooit een instrument kopiëren. Ik voeg er altijd iets 'eigens' aan toe en ik laat ook bewust zien dat het een nieuw instrument is.” Maar ook als zich geen belangstellenden zouden melden, bouwt ze instrumenten. “Ik hoop zelfs zachtjes dat de altviool die ik nu aan het maken ben, niet direct wordt verkocht. Dan kan ik klanten tenminste laten horen hoe mijn instrumenten klinken.”

Een vioolbouwer krijgt een band met z'n instrumenten, vindt Wiebel. “Ik vind het dan ook het leukst om een viool te bouwen voor iemand die ik heel aardig vind. Het is ook leuk om een viool na een paar jaar weer terug te zien. Ik hoop altijd dat mijn violen intensief worden gebruikt en niet in de kast blijven liggen. Ik ben al verschillende malen naar een concert geweest om 'mijn' violen te beluisteren.”

Het leven van een zelfstandig ondernemer bestaat niet alleeen uit violen bouwen, heeft Wiebel ontdekt. Het inkopen van materiaal, de verkoop, uitbreidingsplannen, leningen aflossen, de boekhouding, alles doet ze zelf. “Alleen het opstellen van het jaarverslag laat ik over aan een accountant. Het lastigste van het in je eentje een bedrijf runnen is dat je voortdurend op een breed vlak alert moet zijn: financiën, voorraden, kwaliteit. Soms zou ik wel eens helemaal willen wegduiken in de bouw van een viool en de rest even vergeten. Het is ook een heel vermoeiend bestaan. Officieel werk ik vijf dagen per week, van dinsdag tot en met zaterdag, maar 's maandags, als het atelier voor klanten gesloten is, zit ik hier ook, want dan kan ik tenminste ongestoord aan een instrument werken. Aan concertbezoeken of studeren op mijn altviool kom ik nauwelijks meer toe.”

Toch zou ze niet meer in loondienst willen werken. “Dan doe je echt alleen maar reparaties, want een viool bouwen, dat doet de baas. Tenslotte komen de klanten af op zijn naam.” Ooit, als de zaken floreren, zou Wiebel wel een vioolbouwer in dienst willen nemen. En als het even kan ook een parttime administratieve kracht. “Het is toch wel eenzaam, zo in je eentje werken. Bovendien kun je je kennis doorgeven aan die ander en technieken uitwisselen. Maar op basis van gelijkheid een bedrijf met iemand runnen, nee, dat zou ik niet willen. Daar ben ik te eigenwijs voor. Het leuke is juist dat ik nu precies te werk kan gaan zoals ik zelf wil.”