Het poppenhuis-syndroom of de genetische pedofilie

Vele jaren geleden zag ik in een winkel in New York een miniatuur fototoestelletje. Het was een kleinbeeldcamera, maar dan in 16 millimeter-versie, niet groter dan een reep chocola. De gedachte aan dat wonder liet me niet meer los. Het tijdperk van de box en de klapcamera was nog niet helemaal voorbij en zulke miniaturen waren toen nog een zeldzaamheid. Alle meeslepende details passeerden telkens weer voor mijn extatisch geestesoog: het kleine maar lichtsterke objectiefje, het piepkleine diafragma, het keurige wijzertje van de ingebouwde belichtingsmeter, de gekoppelde afstandmeter zoals op een Leica - maar alles verkleind, gereduceerd, geminiaturiseerd; en toch werkte het allemaal echt: geen loos model, geen aansteker, geen speelgoed, maar een echt fototoestel waarmee je echte foto's kon maken, geheel volgens het toen nog vrij revolutionaire kleinbeeldprincipe, maar dan nog een stapje verder doorgevoerd. Het bleef me achtervolgen en na veel tellen en aarzelen (ik was jong en arm) ging ik terug naar die winkel om mij meester te maken van het kleinood.

Het toestel werkte niet goed, de foto's waren niet scherp, de cassettes met 16 mm-film moesten speciaal worden besteld en werden al gauw onvindbaar; ik heb er nooit veel aan gehad. En toch heb ik dat apparaat nog lang gekoesterd; alleen al het vasthouden, het wegen in de hand (precies goed: niet te licht en niet te zwaar, overeenkomend met efficiënt geconstrueerde mechaniek), schonk een bevrediging die moeilijk is te verklaren, want niet berustend op alleen maar loos en arbitrair esthetisme, maar wel degelijk op functie, op het vermogen echt te functioneren, op een onloochenbare kwaliteit van constructie - en toch nutteloos, te klein, veranderd in iets abstracts, iets symbolisch; uit de realiteit getild.

Het summum hiervan, zo lijkt mij, is de miniatuur televisieontvanger. Ook daarvoor ben ik een keer gevallen, ten prooi aan blinde begeerte. Het toestel had het formaat van een scheerapparaat, met een beeldscherm ter grootte van een postzegel. Het interessante is dat het alibi van de nuttigheid hier zowat de nulgraad had bereikt: het beeld was zo klein dat je de ondertitels met het blote oog niet kon lezen; de inspanning nodig voor het volgen van een film was zo groot dat alleen een maniak het langer dan een paar minuten volhield. Dat dit apparaat enige practische bruikbaarheid had was eenvoudig niet vol te houden - en toch was het een in alle opzichten 'echt' televisietoestel, compleet met beeld en geluid en alles. Ik ervoer dat als opwindend: dat haarscherpe, heel kleine beeldje! en zo lichtsterk! op een echt klein TV-schermpje! Hoe kon dat bestaan? Waar diende het voor? De enige denkbare verklaring was dat het eigenlijk niet bestemd was voor wezens met de afmetingen van een mens, maar meer die van een konijn of een poes. Ik kan me herinneren dat ik als kind dacht dat een tjebbol, een dwerg, ongeveer zo groot was.

Wat betekent het, dat zulke gadgets worden gemaakt en verhandeld? Voor wie? Waarom? Er zijn blijkbaar genoeg mensen die ze fascinerend genoeg vinden om er geld voor over te hebben; ook nu nog blijven de mensen staan kijken wanneer zo'n miniatuur televisietoestel in werking is te zien, bijvoorbeeld in een tax free shop op een luchthaven. Het herinnert aan de tijd dat televisie nieuw was en niet wat werd uitgezonden, maar de technische prestatie datgene was waar de mensen naar keken: 'kijk! het werkt echt!'

Als ik bij mijzelf tracht te achterhalen waar het begeerlijke van zo'n miniatuurtoestel in schuilt, dan kom ik met min of meer eufemistische redenen als 'handig voor op reis' - en, uit diepere kelders afkomstig: 'handig voor in de oorlog', 'gemakkelijk te verstoppen' wanneer er weer een bezetting komt.

Intussen lijkt het evident dat al deze dingen geworteld zijn in een genetische bepaaldheid: het dier dat zich ontwapend voelt tegenover zijn jongen, het onvermogen ze kwaad te doen; de vertedering, de neiging om te koesteren wat klein is - genetische pedofilie, een erfelijke instelling ter bescherming van de soort. Vandaar ook onze vertedering voor jonge hondjes, eendjes en in het algemeen de babies van een diersoort; ik heb wel eens betoogd dat de fascinatie die uitgaat van katten berust op het feit dat we ze onbewust zien als de kleintjes van grote katachtigen, miniatuurleeuwtjes en -tijgertjes. Ze hebben ook inderdaad dat precieze, dat perfecte van een nauwkeurig gemaakt schaalmodel, leidend tot de emotionele uitroepen: hij kan echt lopen! en echt spinnen! en hij heeft echte ogen waarmee hij echt kan kijken!

Het aanlokkelijke van die wereld van schaalmodellen is ook het overzichtelijke; het is alsof je de werkelijkheid aan je hebt onderworpen; daar sta je, grote tovenaar, met al die gereduceerde dingen om je heen; geen wonder dat sommige wilde stammen de koppen van hun overwonnen vijanden verkleinden tot vuistgrootte, en een van de meest fascinerende fantasieën vond ik als kind al de sombere geleerde die ontdekt had hoe hij mensen kon reduceren tot een tiende van hun oorspronkelijke grootte. Hele rijen stopflessen had hij, met naakte gereduceerde mensjes er in, mannen en vrouwen. Levend speelgoed! Het eigenaardige is dat ik dat niet zie als een versie van Swifts verhaal over de Lilliputters maar juist het omgekeerde, Gulliver in het land der reuzen, eigendom geworden van het meisje Glumdalclitch, die hem vervoerde in een vogelkooi en liet paardjerijden op haar tepel. Het is dat de electronica in Swifts tijd nog niet ver was gevorderd, anders had zij vast en zeker wel zo'n miniatuurtelevisietje voor hem gekocht.

    • Rudy Kousbroek