'Hard werken aan verbetering van het imago'; Personeel chemische industrie wil strengere wetgeving eigen sector

ROTTERDAM, 6 JULI. Zeventig procent van het personeel in de chemische industrie vindt dat er voor de sector strengere wetten moeten komen. Vooral mensen die in de bedrijfstakken industriële gassen, parfumerie en cosmetica en fotochemische produkten werken zijn die mening toegedaan. Overigens vindt van het algemene publiek 88 procent strengere wetgeving voor de chemie noodzakelijk.

Dit blijkt uit een imago-onderzoek van de chemische industrie, dat begin dit jaar onder het eigen personeel is gehouden in opdracht van de Vereniging van de Nederlandse Chemische Industrie. In de jaren '92 en '94 heeft de Europese chemie-federatie (Cefic) al studie gedaan naar het imago van de bedrijfstak bij het publiek. “Gebleken was dat de industrie hard moet werken aan een verbetering van het image. Wij scoorden bar slecht, ongeveer even hoog als de tabaksindustrie en de kernenergiesector”, aldus algemeen directeur drs. P.F. Noordervliet van de VNCI .

De vereniging hecht veel waarde aan de mening van het eigen personeel. “Per slot van rekening zijn de eigen werknemers de belangrijkste ambassadeurs van de sector”, zegt Noordervliet, “want zij worden door hun omgeving aangesproken op hun werk”.

In de bedrijfstak zijn in Nederland ongeveer 81.500 mensen werkzaam. Van dat aantal werden begin dit jaar rond 12.000 mensen in ongeveer 55 bedrijven geënquêteerd. Van de vragenformulieren werd 45 procent ingevuld geretourneerd, een extreem hoge respons volgens de onderzoekers.

Het overgrote deel van het personeel in de chemie is van mening dat een chemisch bedrijf geen overlast vormt voor de omgeving. Zestien procent vindt van wel. Vooral jongeren in een bedrijf vinden de overlast te verwaarlozen. Met de stelling dat de chemische industrie ernaar streeft produkten te maken die het milieu minimaal belasten is 82 procent het eens, maar die inspanning verdient niettemin slechts een magere voldoende. Dat de chemie een bijdrage kan leveren aan het oplossen van milieu-problemen vindt 92 procent van de ondervraagden. Van de geënquêteerden zou 36 procent het niet erg veilig vinden, als er een chemisch bedrijf in hun woonomgeving te vinden was. Een kwart zou daar geen enkele moeite mee hebben. De werknemers zijn in overgrote meerderheid overtuigd van de grote inspanningen die het bedrijf levert op het gebied van veiligheid. De stelling dat het bedrijf veel doet voor de veiligheid van de woonomgeving levert een bijna even grote score op.

Het personeel bij chemische fabrieken vindt dat de industrie wel te vertrouwen is, maar die stelling scoort bij het grote publiek niet veel lager. Toch zegt 22 procent dat de sector “niet kan worden vertrouwd”.

Van de werknemers in de chemie zegt 56 procent een milieugroepering te steunen. Jongere doen dat relatief minder dan oudere werknemers. Vooral de leeftijdscategorie tussen 35 en 44 jaar steunt dergelijke actie-groepen. Opvallend is dat 77 procent van de directies van de bedrijven steun verleent aan de milieubeweging.

Greenpeace doet uitspraken, waarmee 28 procent van de ondervraagden het vaak eens is. Een even groot percentage zegt het vaak pertinent oneens te zijn met uitspraken van groeperingen als Greenpeace. In de ogen van vrouwen vinden dit soort actiegroepen meer genade dan in die van het mannelijk personeel.

De stelling: “Ik ben tevreden met mijn werk”, wordt door 94 procent van de werknemers onderschreven. Het personeel vindt bovendien dat hun bedrijf dingen maakt die de kwaliteit van het leven verbeteren. Wel wordt gevonden dat de communicatie naar de buitenwereld wat beter zou kunnen.

Het rapport concludeert dat het imago van de chemische industrie langzaam aan beter wordt. Voor de gemiddelde Nederlander was dat imago al beter dan in acht andere Europese landen. Doelstelling van de chemische industrie is in 1998 qua vriendelijk aanzien tot de middenmoot binnen de industriële sector te horen. In 2003 zou de bedrijfstak in het bovenste kwart van meest geapprecieerde industrieën willen horen. In die bovenste groep bevinden zich bijvoorbeeld de auto-industrie, voedselproducenten, bedrijven in de telecommunicatie en de elektronica-industrie.