'Er zijn miljonairs in Bulgarije, maar de mensen verhongeren'; 'Iedereen is nu ongelukkig'

De Bulgaarse landbouw is ingestort: na de ontmanteling van de collectieve boerderijen is de landbouwgrond versnipperd, zijn landbouwmachines verdwenen of onbruikbaar en is een kwart van het landbouwareaal braak komen te liggen. De jeugd is weggetrokken. Keuterboertjes houden zich moeizaam staande en de voedselexporteur Bulgarije is voedsel gaan importeren.

MOERSALEVO, 6 JULI. Kroem Patsov is een kleine gerimpelde man met een slecht gebit, een vuil blauw hemd en kleine blauwe oogjes onder borstelige wenkbrauwen. Hij is tachtig jaar oud, maar oogt als zestig. Hij schuifelt wat in zijn ruime tuin achter het huis in Moersalevo, een dorpje in het zuiden van Bulgarije, achttien kilometer van Doepnitsa, zet zich op een boomstronk en schenkt wijn uit een weckfles. Zelfgemaakte wijn, want Kroem Patsov is boer.

Een boer van tachtig - het is in het Bulgarije van nu eerder gewoon dan uitzonderlijk. De Bulgaarse landbouw, de kurk waarop de economie altijd heeft gedreven, is grondig in het ongerede geraakt toen na 1989 de collectieve landbouwbedrijven werden ontmanteld en er een begin werd gemaakt met de verdeling van het land onder de boeren. Dat proces, dat nog steeds niet is afgesloten, leidde tijdelijk tot euforie, maar uiteindelijk tot een afschuwelijke kater: de landbouwgrond raakte hopeloos versnipperd en de landbouwmachines verdwenen. De gemiddelde omvang van een boerderij is nu 1,2 hectare, te klein om rendabel te zijn, te klein ook voor het gebruik van landbouwmachines, die voor de nieuwe keuterboertjes sowieso te duur zijn. De gemiddelde tractor is achttien jaar oud. De jongeren zijn naar de stad getrokken en wie bleef boeren werkt vooral om zichzelf te voeden en niet voor de markt. Bijna een kwart van de landbouwgrond ligt al jaren braak, overwoekerd met onkruid en bevolkt door veldvogels en ooievaars. Waar wel wordt gewerkt, gebeurt dat vooral door grijze bejaarden, die met primitieve werktuigen schijnbaar doelloos wat in de aarde harken: een deprimerend beeld, een beeld van futiliteit en vergeefsheid.

Van die kurk van vroeger is weinig over. De landbouwproduktie is met dertig procent gedaald. Wie naar de supermarkt van het warenhuis Tsoem in hartje Sofia gaat, of naar de markt bij het station, die vindt daar nauwelijks nog Bulgaarse produkten. Bulgarije voerde vroeger zijn tomaten en appelen en boter uit. Nu eten de Bulgaren Griekse tomaten en Griekse appelen en Hollandse halvarine. Vroeger was alles er, nu is er een suikertekort en importeert het yoghurtland Bulgarije zelfs melkpoeder. De tabaksboeren kunnen 85.000 ton per jaar produceren, maar de produktie zal dit jaar hooguit 20.000 ton bedragen, de helft van vorig jaar. De meeste boeren zijn nog niet betaald voor de oogst van vorig jaar en hebben geen geld om die van dit jaar binnen te halen. Het zuidoosten van Bulgarije, het gebied van de tabak en de Turkse minderheid, raakt ontvolkt: 45 tot 50 procent van de bevolking is na 1990 naar Turkije geëmigreerd, op de vlucht niet voor de etnische discriminatie die veel Turken in de jaren tachtig op de vlucht dreef, maar voor misère en werkloosheid.

De teloorgang van de Bulgaarse landbouw heeft dramatische gevolgen, voor de mensen die verpauperen, voor de economie die die kurk kwijt is, en voor de politiek: nergens is de nostalgie naar de economische veiligheid van het socialisme zo groot als op het platteland - en de meerderheid van de Bulgaren wóónt op het platteland.

Kroem Patsov en zijn dorp Moersalevo zijn symptomatisch. Hier wonen achthonderd mensen, vrijwel allemaal bejaarden. Vroeger was er een bloeiende collectieve boerderij, maïs werd er verbouwd, en fruit, tabak en kool. Op een kwade dag, zegt Patsov, kwam er een liquidatiecommissie uit de stad, die heeft de collectieve boerderij opgedoekt, het was ècht een liquidatie. Een mafia was het, de landbouwmachines zijn gewoon verdwenen, waarheen weten we niet. Er is nu in het dorp niet één tractor meer. Er waren driehonderd schapen en driehonderd koeien, daar zijn nu nog maar dertig koeien van over, de rest is geslacht, want een mens moet eten. Ik heb in mijn leven veel gezien, maar zoveel verwoesting heb ik nog nooit gezien, zegt hij. De mensen hebben 45 jaar gewerkt voor iets, en nu hebben ze niets meer. Sommige boerderijen zijn maar een halve are groot.

De boeren van Moersalevo kregen hun ministukjes land. Patsov heeft er drie: anderhalve hectare in de bergen, vijftien kilometer van hier, dat had zijn vader nog toebehoord toen die in 1909 naar Moersalevo kwam. Met dat land doe ik niets, zegt Patsov, eenderde is bos, en ik kan het niet bereiken, er is geen vervoer en ik heb geen machines. Ik zou het wel willen verkopen, maar wie koopt er nu grond? Niemand is geïnteresseerd.

Het tweede stukje land ligt bij het dorp, vijf are, daar verbouwt hij de druiven waarvan hij zelf wijn maakt, tweehonderd liter, voor mijn kinderen, zegt hij, want zelf rook ik niet en drink ik niet, alleen limonade, dat drink ik. Het derde stukje land, van anderhalve are, ligt rond het huis, hier houdt Patsov een varken dat hij met kerst slacht, en verbouwt hij groenten, tomaten, paprika, uien, en pruimen en appels, maar het is in de lente eerst te droog en daarna te nat geweest, die pruimenboom zat vol bloesems maar er komen geen pruimen, zo is de natuur, zegt Patsov.

Kroem Patsov heeft nog geluk: hij heeft tenminste een pensioentje, 2200 leva (34 dollar) per maand, zijn vrouw krijgt 1700 leva (26 dollar). Daar kun je niet van leven. Hij wijst op zijn schoenen, de zolen zitten los. Hij is naar de stad geweest, naar Doepnitsa, maar de goedkoopste schoenen kostten 1700 leva, ik ben maar weer naar huis gegaan, zegt hij.

Hij is wel wat gewend, zegt hij: hij komt uit een straatarme familie, er was vaak geen geld om brood te kopen. Maar zo erg als nu is het nooit geweest. Hij heeft vijftig jaar een krant gelezen, van 1944 tot vorig jaar. Maar dit jaar is het niet meer op te brengen. Tussen 9 september [1948] en 1989 hebben we goed geleefd, zegt Patsov, alles was er. Het geld was iets waard, ik kreeg 120 leva in de maand, maar ik kon er een televisie en een elektrische kachel van kopen, nu krijg ik 2200 leva maar ik kan er de kapotte boiler niet van repareren. Vroeger hadden we een consumentencoöperatie die centraal voedsel inkocht, die bestaat ook niet meer. De boer krijgt acht leva voor een liter melk, maar dit flesje limonade kost twaalf leva. Iedereen is nu ongelukkig. We zien businessmen naar het dorp komen, ze kopen alles op voor honderd leva en verkopen het voor honderd keer zoveel. Er zijn miljonairs in Bulgarije, maar de mensen verhongeren. Dit land wordt een natie van dieven en inbrekers. Ik ben bang, zegt Kroem Patsov, ik ben bang voor de toekomst.

Er wordt in het dorp wel gepraat over de vorming van een nieuwe coöperatie, we willen graan gaan verbouwen, zegt Patsov, maar er is geen geld voor machines, en die coöperatie zal ik niet meer meemaken. Ik heb nog geluk dat ik kinderen heb, mijn kinderen zijn mijn rijkdom, ik ben trots dat ze allebei de universiteit hebben afgemaakt. Zonder die kinderen zou ik het ook niet redden. Maar ook zij hebben het moeilijk, mijn kleinzoon wil studeren, maar het toelatingsexamen kost 1700 leva. Vroeger was het onderwijs gratis, dat is nu ook niet meer zo.

Wat mij betreft mag het communisme terugkomen, zegt Kroem Patsov. Toen leefden we goed. Die vijfenveertig jaar, dat was geen echt communisme, we werkten daar wel voor, maar op de een of andere manier is het er nooit gekomen. Nu is de handel in privéhanden. Dat is niet goed. Die privéhandelaren accumuleren geld, dat moet niet. Sommige mensen vangen wel tien- of twintigduizend leva in de maand. Maar wij? Als er niets gebeurt is er straks geen brood meer. Een linkse democratie moet er komen, zegt hij. Wil de kameraad nog wat wijn? Heeft u er bezwaar tegen als ik u kameraad noem? En hij lacht wat verlegen, Kroem Patsov van tachtig uit Moersalevo.