Een optocht van tragisch heldendom

Jaap Stam e.a.: Hoog gegrepen; Tien bewindslieden, universiteiten en politiek. Vossiuspers AUP. Foto's: Henk Thomas e.a., ƒ 32,50. ISBN 90 5629 0088

Is het Nederlandse onderwijsbeleid gevangen in Hegeliaanse dialectiek? Soms zou je het denken. Nieuwe plannen kunnen zulke sterke tegenkrachten oproepen dat uiteindelijk het omgekeerde gebeurt van ooit bedoeld werd. Zo is de inmiddels zo populair geworden basisvorming voortgekomen uit het idee van de middenschool: alle niveaus bij elkaar in de klas. Na twee decennia van ruziemaken is de praktijk van deze vernieuwing dat kinderen van verschillende niveaus juist sterker dan voorheen in verschillende klassen worden ondergebracht. Met de universitaire bestuursstructuur gebeurde in feite het zelfde. 'Vermaatschappelijking' was het doel, maar zoals de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid onlangs nog vaststelde heeft die radenstructuur eerder het isolement van de ivoren toren versterkt.

Maar zoals het in een Hegeliaanse wereld betaamt, ook heldendom bestaat in de onderwijspolitiek, al is het een tragisch heldendom, en zelden de wereldgeest te paard. “Ik ben een bungy jumper die niet weet of dat dingetje goed vast zit”, verklaart de huidige minister van onderwijs J. Ritzen in het jubileumboek Hoog gegrepen. Tien bewindslieden, universiteiten en politiek, verschenen ter gelegenheid van het veertig jaar bestaande Amsterdamse universiteitsblad Folia Civitatis. “Ik ben een zeer groot risico-nemer”, aldus Ritzen. Het boek is een bundeling van tien gedeeltelijk eerder in Folia afgedrukte interviews met de nog in leven zijnde hoger-onderwijsministers en -staatssecretarissen, voorzien van een aantal nabeschouwingen.

Ritzen vat - onbedoeld natuurlijk - de eeuwige wederkeer van het onderwijsbeleid samen in een duizelingwekkend maar toepasselijk beeld. Een bungy jump dient geen enkel doel, behalve de opwinding van de duiker met het elastiek aan zijn benen en de huivering van het toekijkend publiek. Wat is het grootste risico dat de minister heeft genomen, vroeg Folia-interviewer Jaap Stam aan de minister. De invoering van de OV-kaart voor studenten, antwoordt Ritzen trots. De OV-kaart! Dat is inderdaad een inmiddels welhaast klassiek geworden onderwijspolitieke elastieksprong. In 1991 werd de kaart met veel tumult ingevoerd, maar vorig jaar werd ze in geldigheid al weer aanzienlijk beperkt. Uit de financiële schema's van Ritzen blijkt dat er na 1998 bar weinig van het vrije reizen zal overblijven.

Buitelen

De reeks van tien interviews in Hoog gegrepen biedt de lezer een interessante mengeling van persoonlijke en politieke wetenswaardigheden en tegelijk een kaleidoscopische blik op dertig jaar hoger-onderwijspolitiek. Studiefinanciering, bestuursstructuur, studieduur, stelselherziening, onderwijsverbetering, bezuinigingen, discussienota's, democratisering, ministerie van financiën: de trefwoorden uit de hoger-onderwijsdiscussie die woedt sinds het regeerakkoord van vorig jaar blijken al dertig jaar over elkaar heen te buitelen. Zonder al te veel direct effect op de academische werkelijkheid. “Afspraken maken met de universiteit is erg moeilijk”, klaagt Ritzen. “Colleges van Bestuur zijn in belangrijke mate de speelbal van krachten die ze niet kunnen beheersen.”

De zeer spreekvaardige hoogleraar staatsleer I.A. Diepenhorst, minister van 1965 tot 1967, opent de reeks interviews: “Als ze (de studenten, red.) de mededeling Diepenhorst is een lul ronddragen op een spandoek, dan is dat domweg onbeschoft.” Hij had het met de studenten aan de stok gekregen omdat hij in het stelsel van studiefinanciering een controle op de studievoortgang wilde invoeren. Groot tumult. Twintig jaar later werd die studievoortgangcontrole afgeschaft door minister Deetman. En Ritzen voerde hem in 1992 weer in - met als gevolg nog meer tumult dan in 1966.

Net als de hekkesluiter van het boek vindt Diepenhorst zich eenamateurpoliticus maar zo heroïsch als Ritzen lijkt hij die geuzennaam niet op te vatten. Minister was hij geworden om te “trachten de zaken bij elkaar te houden en de samenwerking tussen de universiteiten te bevorderen”. Diepenhorst schudt zijn hoofd over wat hij noemt “de grenzeloze stampei” over democratisering in de jaren zeventig. Als hij dat voorzien had zou hij “vaker gezegd hebben: er mag geen eind komen aan de verhouding leermeester-leerling, waarbij de leerlingen tot zelfstandigheid worden geleid.” Interessant, want bij de huidige stampei over de hoger-onderwijsvernieuwing wordt opnieuw gesproken over de relatie leerling-leermeester gesproken, alleen heet het nu 'leren leren' en geldt het als de meest geavanceerde onderwijsvorm waartoe de universiteiten maar snel moeten overgaan.

Erg veel zijn we dus niet opgeschoten - behalve dat in de afgelopen decennia 'hoger onderwijs voor velen' een doorslaand succes is geworden. Maar die sociale en politieke prestatie van de eerste orde, onmiskenbaar een van de belangrijkste maatschappelijke ontwikkelingen van na de oorlog, vormt in het boek slechts achtergrondruis. Want die doelstelling was - en is - voor vrijwel iedereen vanzelfsprekend. Die centrale ideologie is dan ook volledig geslaagd. De studentenacties, de ministeriële ruzies, de onderwijsdebatten en wat eigenlijk niet, gingen over de problemen die door de groei van de onderwijsdeelname veroorzaakt werden, niet om de groei zelf. Beperking van de toestroom is nooit serieus overwogen, behalve voor een paar dure studierichtingen als medicijnen.

Harmonisatiewet

De afgelopen decennia ging het erom dat het stelsel aan de vermeerderde toestroom moest worden aangepast, en niet andersom. Maar hoe? Die vraag is eigenlijk nooit afdoende beantwoord, al is er veel, erg veel over gesproken. Alleen VVD-minister A. Pais (“Vooral studentenbonden zijn zeer reactionair en conservatief geweest”) heeft begin jaren tachtig aan de universiteiten een uniforme studieduur van vier jaar opgelegd (de tweefasenstructuur) - een oud plan van zijn voorganger Van Kemenade. Maar het effect van die met veel lawaai omgeven ingreep was gering. Omdat de studiefinanciering langer dan vier jaar bleef doorlopen, studeerden de meeste studenten gewoon vijf à zes jaar, daarin gestimuleerd door de universiteiten die zo hun programma's nauwelijks hoefden aan te passen. In de omstreden harmonisatiewet van Deetman uit 1988 werd de verblijfsduur en de studiefinanciering beperkt tot zes jaar. Maar de wet om ook de studiefinanciering daadwerkelijk te beperken tot vier jaar is zeer recent nog door de Eerste Kamer verworpen. De Tweede Fase is er nooit gekomen. Pais: “Het heeft mij teleurgesteld dat er onder mijn opvolgers te weinig leiding is geweest.”

Een andere majeure ingreep in het hoger onderwijs was dat minister Deetman (“Ik ga nooit meer naar Onderwijs”) midden jaren tachtig het hoger beroepsonderwijs naar een hoger peil heeft getild en heeft erkend als hoger onderwijs, zodat aan de massale begeerte naar hoger onderwijs op goedkopere wijze kon worden voldaan. Maar die vernieuwing speelt begrijpelijkerwijs in de interviews van het universiteitsblad Folia geen rol.

Deetman, die als eerste minister daadwerkelijk ging bezuinigen, komt in het interview naar voren als een tragische held die zijn leed met ere draagt. “Ik had altijd een rotboodschap”, vertelt hij aan Jaap Stam. “Als ik in een zaal was en ik had mijn boodschap gebracht, kon er altijd iemand opstaan en zeggen: meneer Deetman, weet u dat ik door u over drie maanden op straat sta? (...) Ik had niet de moed daar iets leuks van te maken. (...) Als je de pluspunten benadrukt zeg je eigenlijk: het is niet zo erg dat u op straat staat, er gebeuren ook een helemooi mooie dingen.” Tot zijn voldoening constateert Deetman dat hij overeind is gebleven. “Op heel wat plaatsen waar ik ben uitgefloten, vragen ze me nu voor spreekbeurten en zeggen ze: u heeft ons in ieder geval niet geflest.”

Moedwillige veranderingen

De veranderingen in het hoger onderwijs vinden vooral plaats dankzij autonome processen, vaak ongewild. Moedwillige veranderingen worden vaak teruggedraaid. Van het studiefinancieringsysteem dat Deetman in 1986 met veel geweld invoerde is inmiddels alleen nog het geraamte over. Opmerkelijk is dat zelfs Deetman al in 1988 bereid was het systeem te offeren aan het ministerie van financiën. “Ik heb toen voorgesteld om het hele systeem van studiefinanciering om te zetten in rentedragende leningen met een sociaal aflossingsregime. Als dat toen gedaan was, waren we nu uit de problemen geweest”, zegt hij terloops tegen Jaap Stam.

Minister Veringa (1968-1972) kijkt tevreden terug op zijn belangrijkste wetgevende arbeid: de gedemocratiseerde bestuursstructuur, met universiteitsraden, facultiteitsraden en vakgroepsraden - gelijkheid op alle niveaus. “Als ik er opnieuw voor stond zou ik precies hetzelfde doen. Ik zou alleen het College van Bestuur een wat zwaardere verantwoordelijkheid geven”, zegt hij. De vrees voor grootscheepse studentenonlusten was zijn drijvende kracht. “Ik had het idee dat we geen Parijse toestanden zouden krijgen als we snel waren.” Ten aanzien van die angst voor straatrellen vormde de Maagdenhuisbezetting slechts een kleine rimpeling. Die versnelde de komst van de definitieve wet met slechts drie maanden, aldus Veringa.

De huidige minister Ritzen studeerde in die tijd technische natuurkunde en was actief in de 'kritiese universiteit'. “We stelden weinig doordachte eisen. (...) One man, one vote. Wij dachten: dat kan nooit kwaad en riepen dat ook. Een tijdje later kwam Veringa met de Wet Universitaire Bestuurshervorming. Wij vielen achterover van stomme verbazing. Dat was nooit de bedoeling geweest. Het was buiten alle proporties”, zegt Ritzen in 1995. Hij wil er dan ook weer vanaf. Hij noemt de bestuursstructuur “een stofnest dat hoognodig moet worden uitgebezemd. In geen land ter wereld is er zo'n rare verhouding tussen de minister van Onderwijs en de universiteit. Ik heb nauwelijks een aanspreekpunt (...) Iedereen is een beetje verantwoordelijk en niemand echt.”