De oer-Faust van Schnittke gaat over alle Fausten

Voorstelling: Historia von D. Johann Fausten van A. Schnittke door de Hamburgse Staatsopera o.l.v. Gerd Albrecht m.m.v. o.a. Jürgen Freier, Eberhard Lorenz, Arno Raunig, Hannah Schwarz en Eberhard Büchner. Kostuums: José Manuel Vazquez; decor: Heinz Balthes; regie: John Dew. Gezien: 4/7 Staatsoper Hamburg. Tv-uitz.: Arte 26/7 21 uur. Herhalingen met andere cast: 6, 8, 11/5 1996 Hamburgse Staatsopera.

Lichamelijk gaat het niet goed met de componist Alfred Schnittke. Vorige maand kreeg hij voor de derde keer een beroerte. Schnittke ligt nu in een revalidatiekliniek in Moskou, zodat hij in zijn woonplaats Hamburg niet aanwezig kon zijn bij de wereldpremière van zijn opera Historia von D. Johann Fausten. De spectaculair geënsceneerde voorstelling werd wel bijgewoond door zijn echtgenote en zijn zoon Andrej, die in de orkestbak op de synthesizer speelde.

Geestelijk gaat het tussen de beroertes door wel goed met Schnittke. De Faust was zijn derde opera-wereldpremière in iets meer dan drie jaar. In april 1992 ging zijn eerste opera Life with an idiot bij de Nederlandse Opera in het Amsterdamse Muziektheater, gedirigeerd door Mstislav Rostropowitsj, die afgelopen mei bij de Weense Staatsopera ook Schnittke's Gesualdo ten doop hield. Life with an idiot ging intussen in andere produkties ook al in Italië en Engeland.

En dan kregen rond Schnittke's zestigste verjaardag (24 november vorig jaar) nog vijf andere stukken hun eerste uitvoering. Schnittke's produktiviteit, die al een enorm oeuvre (onder andere muziek bij zestig films) opleverde, èn zijn telkens weer opverende geestkracht zijn verbijsterend.

De ontstaansgeschiedenis van Schnittke's Faust beloopt niettemin bijna twintig jaar. Christoph von Dohnányi, destijds intendant bij de Hamburgse Staatsopera, gaf Schnittke een compositie-opdracht. Voor het werk klaar was, vertrok Dohnányi uit Hamburg en was het plan van de baan. Daarna beloofde de Frankfurter intendant Gary Bertini de opera te zullen uitvoeren, maar ook hij vertrok voor het zover kwam. In 1983 ging wel al het slotdeel van de opera in première als de Faust Kantate. Uiteindelijk zorgde de nieuwe Hamburgse intendant Peter Ruzicka ervoor dat het stuk nu uiteindelijk compleet werd uitgevoerd in de huidige woonplaats van Schnittke - in zijn eigen woorden “geen Rus, geen Duitser, een vaderlandsloze jood, een joodse Niemand.”

Zo men wil strekte de ontstaansgeschiedenis van Schnittke's Faust zich zelfs uit over bijna vier eeuwen, want het libretto van de opera heeft niets van doen met Goethe's Faust, waarvan vele Faust-opera's, zoals die van Berlioz en Gounod, zijn afgeleid. Schnittke baseerde, samen met Jörg Morgener zijn Faust op het boek Historia des D. Johann Fausten, in 1587 verschenen in Frankfurt.

De Historia is de oer-Faust, geschreven over de theoloog, tovenaar en beoefenaar van zwarte kunsten doktor Georg Faust (rond 1480-1540). Deze vroegste Faustvertelling is deels heel anders dan bij Goethe en veel christelijk-moralistischer. De Historia èn de Faust van Schnittke eindigen met de waarschuwing om niet het duivelse pad te betreden: Seit nüchter und wachet, denn euer Widersacher, der Teufel, geht umher wie ein brüllender Löwe und suchet, welchen er verschlinge: dem widerstehet fest im Glauben. In Goethe's Faust wordt tegen het slot de klok stilgezet, bij Schnittke tikt hij aan het slot in het slagwerk door.

Iedere literaire Faust-bewerker en Faust-componist schept zijn eigen Faust. De oer-Faust moest ondanks berouw zijn zelfgezochte pact met de duivel om als anti-Christ te fungeren bekopen met de dood. Goethe sleepte hem uiteindelijk nog weg voor de poort van de hel. Bij Berlioz neemt de duivel Méphistophélès zelf het initiatief om Faust te verleiden. Het slot van de Faust-opera's van Berlioz en Gounod lijkt - net als bij Goethe - alleen nog te gaan over het lot van de misleide Marguérite (Gretchen), die op voorspraak van Maria wordt gered.

Bij Schnittke gaat een groot deel van zijn Faust-opera over de innerlijke strijd tussen het goede en het slechte binnen Faust: zijn opwindende tocht langs de geneugten van de wereld wordt begeleid door een eindeloos weeklagen over zijn lot, over het niet kunnen bereiken van het Paradijs en de hemel, die worden bewaakt door de engel Gabriël.

Die strijd tussen goed en kwaad binnen één personage is het thema van al Schnittke's opera's. In Life with an idiot, de 'eerste en laatste Sovjet-opera', trekt het kwade in de vorm van een idioot in de gestalte van Lenin in bij een echtpaar. Man en vrouw bestrijden aanvankelijk de idioot, maar beginnen elk ook een verhouding met hem. Gesualdo gaat over het schone èn het vuile binnen de beroemde madrigaalcomponist don Carlo Gesualdo. In het dagelijks leven was hij de prins van Venosa, die zijn vrouw, haar minnaar en een vermeend onecht kind liet vermoorden.

In de door John Dew geregisseerde voorstelling van Schnittke's Historia von D. Johann Fausten heeft alles twee kanten, alles is dubbel, dubbelzinnig en evolueert. Het is een fascinerende ervaring om dat te ontdekken. De tekst gaat dan wel terug op de oer-Faust, de ingenieuze, fantasierijke en vrijmoedige enscenering maakt gebruik van alles wat het Faust-gegeven in de loop der eeuwen heeft opgeleverd aan betekenis en symboliek, van beeldenstorm tot en met de God is dood-theologie.

De door een verteller in gang gehouden voorstelling is een onophoudelijke stroom van verbazingwekkende visioenen en fantastische beelden, van wolkenkrabbers die de hemel proberen te bereiken tot een voortwentelend rad van tientallen naakte mensen, op de Dag des Oordeels op weg naar de hel. De engel Gabriël verschijnt op een wolk en we zien Der Alte, die een Christusbeeld en allerlei christelijke parafernalia wegbrengt in een vuilcontainer.

De Hamburgse Mephostophiles is een reïncarnatie van Franz Listz, de componist van de Faust-symfonie. Hij lijkt tegelijk een vrouw met zijn ouderwetse jongemeisjeskapsel, temeer omdat hij wordt gezongen door een countertenor. Hij speelt zo grensverleggend op de piano dat die ontploft. Nog dubbelzinniger wordt deze Mephostophiles als men bedenkt dat Liszt een Faustiaanse ontwikkeling doormaakte: van een gevierde rondreizende kunstenaar-schuinsmarcheerder tot een gewijde priester, gekleed in een pij.

Er is ook nog een vrijwel identiek ogende Mephostophilia, een duivelse vrouw die zich verandert in de gravin van Beieren, de koningin van Griekenland en in de schone Helena. Faust aanbidt haar in een driedimensionale versie van Picasso's schilderij Guernica, ook nog een verbinding met de Trojaanse oorlog! Prachtig is de scène waarin deze beide duivels in een kerk bezit nemen van twee preekstoelen. Mephostophiles/Liszt bespeelt hier het orgel dat schots en scheef in elkaar is gezakt: de pijpen lijken wel frites in een puntzak.

De slotakte toont de berouwvolle Faust in een poging tot Imitatio Christi: in het midden van een lange tafel, omringd door twaalf studenten, lijkt hij Christus aan het Laatste Avondmaal. De verteller lijkt de Evangelist in de Matthäus Passion en net als Christus gaat Faust zijn dood tegemoet, maar voor hem is er na het afhouwen van zijn hoofd geen wederopstanding.

De muziek van Schnittke bereikt in de slotakte een geweldige apotheose: plechtig en bezwerend maar ook cynisch in de traditie van de Dreigroschenoper van Brecht en Weill. De vamp Mephostophilia lijkt temidden van het koor tegelijk Lotte Lenya en Marlène Dietrich. Het is een hoogtepunt in Schnittke's polystilistische componeerstijl, de collage-achtige mix van allerlei stijlen die bij uitstek past bij het caleidoscopische Faust-gegeven.

Maar Schnittke hanteert die stijlmix wat terughoudender dan in Life with an idiot. Dat komt ongetwijfeld door het gebruik van het telkens terugkerende Leitmotiv voor 'het boze', door Schnittke met bevende hand genoteerd. Maar Schnittke reist met zijn stijlcitaten nog steeds door de wereld en door de tijd: van middeleeuwse kerkmuziek tot en met de symfonische pop, dankzij de synthesizers, van Wagner en Berg tot Strawinsky's Oedipus Rex, ook een door een verteller gedaan verhaal over een gedoemde. Schnittke zelf beschouwt de opera als zijn chef-d'oeuvre. Wat een tragiek dat juist hij geen getuige kon zijn van het eind van de queeste van deze Historia von D. Johann Fausten.