De handicap-race

OP HET OOG lijkt het onverklaarbaar. De Nederlandse economie had in 1994 een uitstekend jaar en toch zijn de burgers gemiddeld in koopkracht iets achteruitgegaan. Er werd meer verdiend, maar er bleef minder over. Het was hollen en achteruitglijden tegelijk.

De paradox laat zich verklaren doordat het groeiende inkomen zodanig verdeeld werd dat particuliere inkomenstrekkers daarvan in 1994 het minst profiteerden. Vorig jaar maakte het looninkomen een pas op de plaats en stegen de winsten van het bedrijfsleven. Gemiddeld gingen die nominaal met bijna tien procent omhoog, de salarissen dankzij de bereidheid tot loonmatiging met nog geen twee procent. Gezien de inflatie was daardoor sprake van een reële inkomensdaling van particulieren en van een forse stijging van de bedrijfswinsten.

Dit is een normaal patroon na een periode van zwakke groei. Het winstherstel van het bedrijfsleven in 1994 was te danken aan een sterke verbetering van de export. Het vertaalt zich dit jaar in toenemende investeringen: in de Nederlandse industrie stijgen de investeringen in 1995 spectaculair met zo'n dertig procent. Volgens het gangbare conjunctuurmodel trekken daarna de werkgelegenheid, de inkomens en de consumentenbestedingen aan. Dit jaar wordt een groei van ongeveer honderdduizend banen voorzien. De economie doorloopt daarmee zijn gangbare cyclus en trekt zich niets aan van politieke doemdenkers over een groei zonder banen of uitblijvende investeringen.

AL IS HET de vraag of de werkloosheid zal dalen. Want een andere ogenschijnlijke tegenstrijdigheid in de Nederlandse economie is dat weliswaar het aantal banen toeneemt - al dan niet via tijdelijk werk - maar dat de werkloosheid hardnekkig hoog blijft. Dit heeft alles te maken met het zichtbaar maken van de werkloosheid die jarenlang verstopt werd in de arbeidsongeschiktheid. Doordat deze ontsnappingsroute is aangepakt, komt de verborgen werkloosheid enigszins aan de oppervlakte. In plaats van een geruisloze stijging van het aantal WAO'ers met zo'n 30.000 werknemers per jaar, is nu sprake van een netto daling van bijna 20.000 mensen. Dit is een omslag van 50.000 mensen die niet langer als arbeidsongeschikten maar, zolang ze geen baan vinden, als werklozen worden geteld. Het is niet beter of slechter, maar wel duidelijker.

Bij de inkomensverdeling speelt nog een ander element een rol. Van iedere extra verdiende gulden gaat via belastingen en premies ruim vijftig cent naar de collectieve sector. De grootste begunstigde van economische groei is dan ook de overheid: zonder iets te hoeven doen nemen de inkomsten en bestedingsmogelijkheden van de overheid toe. Een van de treffendste voorbeelden hiervan is ontwikkelingssamenwerking, die verzekerd is van een vast percentage van het nationale inkomen. Als dit stijgt, gaat er meer geld naar Afrika.

DOOR VERSCHUIVINGEN in de belasting- en premiedruk kan de overheid de verdeling van het verdiende nationale inkomen sturen. En dat is de derde paradox van de Nederlandse economie. De sociale zekerheid, de AOW, de studiefinanciering, huursubsidie en andere inkomensoverdrachten houden de machinerie van de herverdeling op gang. In Nederland bestaat een brede politieke voorkeur voor een zekere samenhang in de inkomensontwikkeling tussen werkenden en niet-werkenden. Met een groot aantal niet-actieven is het dan onvermijdelijk dat de ruimte voor reële inkomensgroei van de actieven beperkt blijft. Het is een soort handicap-race waarbij de prijs van het groeiende nationale inkomen verdeeld wordt over alle deelnemers.