Daling van koopkracht slaat het hardst toe voor laagste inkomens

DEN HAAG, 6 JUNI. De koopkracht is vorig jaar over de hele linie gedaald. Voor mensen met werk bedroeg de daling 0,2 procent. Wie geen betaalde arbeid verricht, zag de koopkracht met 0,8 procent dalen. De minima kwamen er met een daling van 1,6 procent het slechtst vanaf. Dat blijkt uit berekeningen van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS).

De veranderingen in de premieheffing hebben vorig jaar een negatieve invloed uitgeoefend op de koopkracht. Het gaat daarbij vooral om premies voor de Ziektewet, de WW en WAO. De hogere premies leidden voor de actieven tot een daling van de koopkracht met 1,6 procent, vooral door de reparatie van het zogeheten WAO-gat. Verder constateert het CBS dat de bestedingen van particuliere consumenten onvoldoende zijn om te kunnen functioneren als aanjager van verdere economische groei.

Volgens het CBS zijn er verschillende oorzaken voor de gematigde ontwikkeling van de consumptie. In de eerste plaats is de ontwikkeling van de lonen zeer beperkt. Deze blijft ver achter bij de inflatie, waardoor de koopkracht afneemt. Bovendien stagneert de groei van het consumptief krediet. De groei daarvan was vorig jaar het laagst sinds 1984. De neiging om de hypotheek op de eigen woning te verhogen ten behoeve van meer consumptieve uitgaven is alweer aan het afnemen. Ook de besparingen beperken de bestedingen. In de eerste vier maanden van dit jaar was het bedrag dat op spaarrekeningen werd bijgeschreven hoger dan het bedrag dat werd opgenomen. Het CBS concludeert dan ook: “De consument moet met andere woorden de hand wel op de knip houden, omdat de inhoud nogal tegenvalt.”

Toch zijn volgens het CBS nog “alle tekenen” aanwezig voor een positieve ontwikkeling van de economie. Gezien de orderportefeuille van de industrie, de bezettingsgraad daar en de verwachte groei van de investeringen zijn de omstandigheden gunstig voor het aantrekken van de werkgelegenheid in de industrie.