CO2-ideologie

Een kwart eeuw geleden sloegen klimatologen alarm over een naderende ijstijd. Nu wordt een mondiale opwarming voorspeld door het 'broeikaseffect' als gevolg van de CO2-toename. Maar de theoretische modellen stroken niet met de feiten.

Onder broeikaseffect verstaat men het verschijnsel dat de dampkring een aantal sporegassen bevat, de zogenaamde broeikasgassen, die zonnestraling van korte golflengte ongehinderd doorlaten, maar de langgolvige warmtestraling van het aardoppervlak absorberen. De aangeslagen moleculen stralen op hun beurt langgolvige warmtestraling in alle richtingen uit, dus gedeeltelijk terug naar het aardoppervlak. De lucht aan het aardoppervlak is daardoor warmer dan het geval zou zijn zonder broeikasgassen.

De natuurlijke broeikasgassen zijn waterdamp (HO), kooldioxyde (CO), methaan (CH),lachgas (NO) en ozon (O). Daarnaast spelen sinds de jaren vijftig ook antropogene chloorfluorkoolwaterstoffen (CFK's) een rol. Het grootste deel, zo'n 60 à 70 procent van het totale natuurlijke broeikaseffect, komt echter voor rekening van de watermoleculen in de dampkring. Er is ook nog een krachtig broeikaseffect van de watermoleculen in wolken, maar recent onderzoek laat zien dat de opwarming hierdoor verre wordt overtroffen door afkoeling tengevolge van reflectie van zonnestraling tegen het wolkendek, waardoor het netto-effect van wolken op de luchttemperatuur aan het aardoppervlak negatief is.

Dat het broeikaseffect aan het oppervlak een hogere luchttemperatuur genereert dan zonder broeikasgassen het geval zou zijn, is onbetwist. Anders staat het met de mate van opwarming. Om die te kwantificeren, maakt men gebruik van een gedachtenexperiment, uitgaande van de wet van Stefan-Boltzmann die ons leert hoeveel energie per tijdseenheid aan de oppervlakte van een bol met gelijkmatige temperatuur wordt uitgestraald. Die energie is evenredig met de vierde macht van de absolute temperatuur. Met behulp van deze wet kan men uitrekenen bij welke oppervlakte-temperatuur de Aarde zonder dampkring in stralingsevenwicht is met de zonnestralingsenergie die de Aarde ontvangt. Het gedachtenexperiment houdt in dat we de dampkring weglaten, maar aan het naakte aardoppervlak dezelfde albedo (verhouding van de hoeveelheid zonnestraling die wordt gereflecteerd tot de hoeveelheid die de aarde bereikt) toekennen als nu onder de dampkring - gemiddeld 0.30, wat vooral wordt bepaald door de reflectie van wolken, ijsvlakten en woestijnen. De uitkomst is dan -18 ß8C, tegen de werkelijke gemiddelde luchttemperatuur aan het oppervlak van +15 ß8C. Een verschil dus van 33 ß8C.

In de huidige discussies duiken deze 33 ß8C steeds weer op. Voor broeikas-adepten geldt dat zonder het natuurlijke broeikas-effect de gemiddelde luchttemperatuur aan het oppervlak rond -18 ß8C zou liggen, 33 ß8C lager dan het huidige gemiddelde. Dit axioma wordt ook geponeerd in het invloedrijke IPCC (Intergovernmental Panel on Climate Change) rapport van 1990 (een curieus document waarin standpunten die het resultaat zijn van onderhandelingen tussen landendelegaties, deels politici, als 'wetenschappelijke feiten' worden gepresenteerd).

Toch is deze stelling onjuist. In het gedachtenexperiment krijgen we de temperatuursverhoging van 33 ß8C immers door de dampkring buiten beschouwing te laten en de huidige albedo niet te veranderen. Een dergelijke situatie staat vér af van de realiteit. Als we het experiment stapsgewijs verder doorvoeren, kunnen we als eerste stap een dampkring van stikstof en zuurstof inbrengen, zonder broeikasgassen. Dan verdwijnt al een flink stuk van de 33 ß8C door warmtetransport als gevolg van luchtstromingen. Vervolgens laten we ook waterdamp toe in de dampkring, maar zonder het broeikaseffect in rekening te brengen. Er treedt nu een kolossale warmtepomp in werking: vertikaal warmtetransport door de grootschalige verdamping van water aan het oppervlak en condensatie van waterdamp op grote hoogte.

Modelberekeningen laten zien dat er na deze twee stappen van de aanvankelijke 33 ß8C nog maar een graad of 6 à 7 overblijft. Die zijn voornamelijk toe te schrijven aan het broeikaseffect van de watermoleculen in de dampkring, en slechts voor een paar procent aan CO2.

Modelberekeningen

Zo kunnen we doorgaan met gedachtenexperimenten. Ze maken duidelijk dat de luchttemperatuur aan het aardoppervlak het resultaat is van het samenspel van vele factoren, waarvan het broeikaseffect van CO2 er slechts één, en zeker niet de belangrijkste is. Het is een waargenomen feit dat de hoeveelheid CO2 in de dampkring in de afgelopen anderhalve eeuw is toegenomen, van 280 naar 353 miljoenste volumeprocent (ppmv), maar wat is het effect daarvan op de gemiddelde luchttemperatuur aan het oppervlak? Recent is er de aandacht op gevestigd dat alle 15 micrometer straling die wordt gereflecteerd al door het thans in de dampkring aanwezige CO2 wordt geabsorbeerd. Méér CO2 in de dampkring kan er dus niet toe leiden dat méér straling van deze golflengte wordt geabsorbeerd. CO2 absorbeert nog wél infraroodstraling van andere golflengten in het 14-18 micrometer gebied, maar die absorptie is veel geringer, of er wordt veel minder straling van die golflengten gereflecteerd. Het broeikaseffect van een toenemende CO2-druk is dus minder dan men aanvankelijk dacht.

Ik zal niet verder ingaan op de fysische parameters van de klimaatmodellen, maar mij bepalen tot dat wat de gegevens uit het recente en geologische verleden ons laten zien over de relatie tussen CO2-druk en temperatuur, iets waaraan de gemeente van broeikas-adepten nauwelijks aandacht besteedt. Volgens de gangbare klimaatmodellen zou de 25% toename in CO2-druk sinds 1860 hebben moeten leiden tot een stijging van de gemiddelde mondiale luchttemperatuur aan het oppervlak van zo'n 2 à 3 ß8C. Dit is een theoretisch modelbedrag, maar het wordt vaak opgevoerd als feitelijk opgetreden opwarming en figureert dan als alarmerend signaal dat 'global warming' als gevolg van het antropogene broeikaseffect al is begonnen. De werkelijkheid is anders. Het verloop van de gemiddelde mondiale temperatuur in de afgelopen anderhalve eeuw is onregelmatig, maar tot omstreeks 1920 was er géén sprake van stijging. Dan volgt tussen 1920 en 1940 een stijging van ongeveer 0.3 ß8C, daarna 25 jaar van betrekkelijk stabiliteit, en sinds 1980 een stijging van nog eens zo'n 0.2 ß8C. De totale stijging is dus slechts een kwart van wat het volgens de modellen had moeten zijn. Daarbij kan worden opgemerkt dat het nu nog zo'n halve graad kouder is dan in de vroege Middeleeuwen.

Het is dus een empirisch feit dat de gangbare modellen de temperatuurstijging als gevolg van toenemende CO2-druk op zijn best overdrijven. Maar is de waargenomen stijging überhaupt (uitsluitend) gerelateerd aan de CO2-toename? CO2 wordt afgeschilderd als het bedreigende 'duivelsgas', maar zijn veranderingen in de zonnestraling niet een veel belangrijker factor bij veranderingen in de gemiddelde mondiale luchttemperatuur aan het oppervlak? Aanwijzingen vindt men in de dungelaagde sedimentafzettingen in kratermeren, waarin elke dunne (0.5-1.5mm) laag een seizoen representeert. Tezamen vormen zij een ideaal klimaatarchief van de laatste 75.000 jaar dank zij de pollen, sporen en plantenresten die erin bewaard zijn. Recent onderzoek onthult dat er verschillende met elkaar interfererende klimaatcycli zijn, gerelateerd aan cyclische veranderingen in de zonnestraling. Naast de gemiddeld elfjarige zonnevlekkencyclus (de laatste maxima waren in 1989 en 1978) onderscheidt men cycli van 88, 208-230 en 491 jaar, die gesuperponeerd zijn op de langere-termijn (20.000 tot 100.000 jaar) cycli als gevolg van de ritmische veranderingen in de helling van de aardas en de afstand tot de Zon.

Er bestaat minder twijfel over dat mensen hebben bijgedragen aan de toename van de atmosferische CO2 druk in de laatste eeuw. Het gaat daarbij vooral om de grootschalige verbranding van fossiele stoffen, cementfabricage, ontbossing en andere veranderingen in landgebruik. Sinds het begin van het industriële tijdperk is hierdoor cumulatief ongeveer 10 gram CO2 in de dampkring gebracht - waarvan ca. 60% afkomstig is van de verbranding van steenkool, olie en aardgas. De helft van de totale antropogene CO2-emissie is echter niet in de dampkring terug te vinden en moet er dus door natuurlijke terugkoppelingsprocessen al weer aan zijn onttrokken - naar men aanneemt voor de helft door opname in oceaanwater en voor de andere helft door opname in vegetatiegroei op het land. Vooral de CO2-uitstoot door de verbranding van fossiele stoffen wordt in milieukringen als boosdoener gezien, en de beperking ervan staat hoog op de politieke milieu-agenda. Daarentegen is er veel minder aandacht voor de toenemende CO2-uitstoot uit andere antropogene bronnen, die het gevolg is van de almaar groeiende wereldbevolking - van 2 miljard mensen rond 1900, naar 6 miljard rond 2000 en, volgens de somberste prognoses, 30 miljard in 2150. En dan mogen de milieugroeperingen in zekere zin nog van 'geluk' spreken dat tweederde van de mensheid in armoede verkeert, waardoor het beslag op onze planetaire omgeving en de natuurlijke hulpbronnen niet nog een veelvoud is van het huidige.

De pogingen om met grote inspanning en tegen hoge kosten te komen tot vermindering van de industriële CO2-emissie, zijn dan ook futiel als de bevolkingsgroei doorgaat - met als streven dan ook nog de opkrikking van het welvaartsniveau en dus de CO2-uitstoot in het arme, grootste deel van de wereld. Dit laat de noodzaak van energiebesparing en de ontwikkeling van alternatieve energiebronnen natuurlijk onverlet. Niet met als hoofddoel de beperking van de CO2-emissie, maar om de eindige voorraden fossiele brandstoffen minder snel uit te putten.

In het geologische verleden zijn echter talloze variaties in de CO2-druk opgetreden waaraan mensen part nog deel hadden. Voor de laatste paar honderdduizend jaar blijkt dat o.a. uit de samenstelling van luchtbelletjes in het ijs van de poolkappen, die fluctuaties laten zien tussen 170 en 300 ppmv. Aan het eind van de laatste ijstijd, 10.000 jaar geleden, bevatte de dampkring 190 ppmv CO2. Sindsdien is de CO2 met enkele kleine fluctuaties gestegen naar de pre-industriële 280 ppmv. Daarna is de stijging dus de voortzetting van een trend die al 10.000 jaar geleden is begonnen. Welk deel daarvan antropogeen is, is niet vast te stellen.

In hoeverre beïnvloeden de CO2-fluctuaties temperatuur en klimaat? Deze vraag proberen de klimaatmodelleerders te beantwoorden met een sterk reductionistische benadering van de fysische werkelijkheid. Het doet denken aan de exercities met economische modellen die ook vaak niet blijken te sporen met de werkelijkheid, tot verontwaardiging van economen. Ten aanzien van het klimaat beschikken we echter over een data-set waarmee de modellen experimenteel kunnen worden getoetst op hun werkelijkheidsgehalte: de natuurlijke fluctuaties in temperatuur en CO2-druk in het verleden. The past is the key to the future.

Zo kan aan de hand van de verhouding van zuurstofisotopen in de luchtbelletjes in poolijs, evenals van paleobotanische data op het land worden vastgesteld dat in het verleden forse temperatuurfluctuaties zijn opgetreden, zowel mondiaal als regionaal. Op basis van het ijskernen-onderzoek concludeerde men dat er soms zelfs binnen enkele decennia fluctuaties optraden tot soms wel 5 à 10 ß8C. In de media wordt dit gepresenteerd als waarschuwing voor wat er kan gebeuren bij toenemend broeikaseffect. Recent onderzoek heeft echter duidelijk gemaakt dat de betreffende ijslagen glaciologisch verstoord zijn. De waargenomen 'plotselinge klimaatomslagen' zijn dus vermoedelijk illusies; het resultaat van hiaten in het klimaatarchief.

De ingesloten luchtbelletjes laten een ruwe correlatie zien tussen temperatuur en CO2-druk, maar in detail blijken de veranderingen van beide parameters vaak niet gelijk op te lopen. Zo is, bijvoorbeeld, de CO2-druk in het millennium tot het begin van de 19-de eeuw nagenoeg constant gebleven, ongeveer 280 ppmv, hoewel het tijdens de kleine ijstijd tussen het einde van de 15-de en het midden van de 19-de eeuw mondiaal gemiddeld tot ongeveer 2 ß8C kouder was dan aan het einde van de 19-de eeuw. In de voorafgaande eeuwen was het daarentegen ongeveer 1 ß8C warmer, eveneens zonder dat dit in de CO2-druk is terug te vinden. Gaan we verder terug, dan ontmoeten we nog veel grotere fluctuaties in de atmosferische CO2-druk. De chemie van fossiele verweringsbodems leert dat bijvoorbeeld de druk in het Laat Ordovicium, ongeveer 440 miljoen jaar geleden, zo'n 16 maal hoger was dan thans. Volgens de gangbare klimaatmodellen zou dat hebben moeten leiden tot een mondiaal fors hogere temperatuur - zelfs een verdubbeling van de CO2-druk, zoals die in de tweede helft van de 21ste eeuw wordt verwacht, zou al moeten leiden tot een mondiale stijging van 3 à 4 ß8C. In het geologisch archief van het Laat Ordovicium is daarvan echter niets te zien. Integendeel, het was géén warme periode. Langs de evenaar heersten aan het oppervlak luchttemperaturen die overeenkwamen met de huidige, en op de hogere breedtegraden waren er uitgestrekte ijskappen.

In het Midden Krijt, ongeveer 120 miljoen jaar geleden, was de CO2-druk 8 à 10 maal hoger dan thans. Dat was wél een warme periode. Tot voor kort dacht men op basis van de klimaatmodellen, dat het mondiaal toen gemiddeld zo'n 10 ß8C warmer was dan nu, maar recent onderzoek toont aan dat het veel minder was. Rond de evenaar heersten niet, zoals men dacht, 'supertropische' condities, maar kwam de temperatuur overeen met de huidige. Op hogere breedtegraden was het wèl warmer. Er was dus een geringere breedtegraad-zonering in klimaat en biogeografie.

Waardoor ontstaan de natuurlijke variaties in de atmosferische CO2-druk? De gehele dampkring, inclusief de hydrosfeer, is het produkt van de ontgassing van de vaste Aarde. De opbouw vond voornamelijk plaats in de vroegste jeugd van onze planeet, toen er onder een dunne gestolde korst een aardomspannende magma-oceaan lag, maar gaat tot op heden door via de ontgassing bij vulkanische processen. Vulkanisch gas bestaat voor zo'n 80% uit waterdamp en 20% uit CO2. In onze tijd wordt zo jaarlijks gemiddeld in de orde van 2.10 gram juveniel CO2 in de dampkring gebracht. De waterdamp condenseert of sublimeert zodra in de dampkring het verzadigingspunt is bereikt en verzamelt zich in oceanen en de overige hydrosfeer. CO2 zou daarentegen onbeperkt in de dampkring accumuleren, als niet allerlei biologische en geochemische processen voortdurend het gas (semi-)permanent aan de dampkring zouden onttrekken, de mondiale CO2-pompen.

Er zijn twee soorten CO2-pompen, de biologische pompen en de geochemische pompen. Op geologisch kortere termijn is natuurlijk ook de opname door oceanen belangrijk. De belangrijkste biologische pompen zijn de opslag van CO2 in kalksteen en dolomiet door de depositie van kalkskeletjes en de bouw van riffen, en de vorming van fossiele biomassa (steenkool, aardolie, aardgas) en verspreid organogeen koolstof in sedimenten. De laatste pomp werkt via de vorming van organisch materiaal bij de fotosynthese, in combinatie met de begraving van organisch materiaal als gevolg van geologische processen aan het oppervlak. De begraven organogene koolstof kan niet via oxidatie (rotting) in de dampkring terugkeren. Aan deze pomp danken wij ook het zuurstofgas in de dampkring: voor elk koolstofatoom dat wordt begraven blijft één zuurstofmolecuul in de dampkring achter.

Geochemische pomp

De geochemische pomp functioneert eveneens door middel van de vorming van carbonaten, maar nu voornamelijk via chemische verwering als gevolg van de interactie tussen dampkring, neerslag, bodemorganismen en het landoppervlak. De capaciteit van deze pomp wordt in hoge mate bepaald door grootte en reliëf van het landoppervlak. In onze tijd, met een extreem reliëf als gevolg van jonge gebergtevorming, onttrekken alleen al de hoge bergketens en plateaus van centraal Azië in 100.000 jaar door chemische verwering in de orde van 2.10 gram CO2 aan de dampkring, ongeveer evenveel als er in totaal aanwezig is.

Als alle CO2, dat in de loop van de geologische tijd door de biologische en geochemische pompen is opgeslagen, in de dampkring zou zijn gebleven, zou de CO2-druk zo'n 200.000 maal hoger zijn dan nu. Dit is de situatie op onze buurplaneet Venus, waar het bij vulkanische processen vrijgekomen CO2 in de dampkring is geaccumuleerd door het ontbreken van een biosfeer en een hydrosfeer, en dus van de biologische en geochemische pompen. Op Venus heerst dan ook een CO2-druk van 88 bar. Op Aarde is daarentegen vrijwel alle vrijgekomen CO2 nabij het oppervlak opgeslagen in de vorm van carbonaten, fossiele biomassa en verspreid sedimentair koolstof, met als gevolg een CO2-druk van slechts 0.00035 bar.

De CO2-druk wordt bepaald door een samenspel van allerlei factoren, die ieder voor zich variabel en ten dele onafhankelijk van elkaar zijn. Belangrijke factoren zijn, bijvoorbeeld de intensiteit van het vulkanisme, die de toevoer van juveniel CO2 bepaalt; de grootte en het reliëf van het landoppervlak, die van invloed zijn op de intensiteit van de verwering; de CO2-opname door de kalkafscheidende organismen; het samenspel van fotosynthese, respiratie en rotting in de biosfeer; en de intensiteit van geologische activiteiten aan het oppervlak, die bepaalt hoeveel organogeen materiaal aan de koolstofcyclus wordt onttrokken. De variabiliteit van elk van die factoren leidt met de tijd tot aanzienlijke fluctuaties in de atmosferische CO2-druk.

In het warme Midden Krijt bijvoorbeeld, was er een kolossale mantelpluim (uit grote diepte opstijgende magmastroom) actief in het Pacifische gebied. De pluim bracht een enorme toevoer van juveniel CO2 teweeg, en ook een grootschalige uitvloeiing van basaltische lava. Die basalt vinden we nu bijvoorbeeld terug in de extreem dikke basaltplateaus van Ontong Java en Manihiki, maar ook op de Nederlandse Antillen en Aruba, waarvan de geboorteplaats ten westen van het huidige Colombia lag. De jonge basaltische korst was relatief warm en had daardoor een geringere dichtheid, waardoor de oceaanbodem en dus ook de zeespiegel hoger lagen. Dit verkleinde het landoppervlak, waar in die tijd géén hoge gebergten waren en ook anderszins weinig terugkoppeling voor de sterk toegenomen CO2-toevoer. Wél ging de biologische pomp op volle kracht werken, zoals blijkt uit de enorme kalksteenafzettingen die zo karakteristiek zijn voor het Krijt.

De Midden-Krijt situatie illustreert het dynamische evenwicht van de CO2-druk in de dampkring. Dit evenwicht wordt bepaald door enerzijds de toevoer via vulkanisme, en anderzijds de onttrekking door middel van de biologische en geochemische CO2-pompen. Bij een hoger wordende CO2-druk, al dan niet gepaard gaande met een warmer wordend klimaat, neemt zowel de biologische produktiviteit als de intensiteit van de chemische verwering toe, waardoor er méér CO2 aan de dampkring wordt onttrokken. De toevoer van CO2 door middel van vulkanisme wordt echter bepaald door geologische processen binnenin de Aarde, die onafhankelijk zijn van de condities aan het oppervlak. CO2-druk en klimaat kunnen de vulkanische activiteit en de daaruit voortkomende toevoer van CO2 dus niet beïnvloeden, maar de CO2-pompen zullen de stijging van de CO2-druk gaan tegenwerken. Bij een lager wordende CO2-druk werkt het proces in tegengestelde richting en wordt de daling afgeremd.

Hoe snel dit systeem kan reageren, was onlangs te zien aan de spectaculaire afzwakking van de stijging van de atmosferische CO2-druk die in mei 1991 begon en enkele jaren heeft geduurd. Deze lijkt gerelateerd te zijn aan de uitbarsting van de vulkaan Pinatubo op de Filippijnen in mei 1991. Het is mogelijk dat de enorme hoeveelheid ijzer die als bestanddeel van de uitgestoten as in de oceaan terecht kwam algenbloei teweeg bracht, waardoor de biologische CO2-pomp sterker is gaan werken. IJzer is immers een essentiële nutriënt voor kalkvormend fytoplankton.

Aardse thermostaat

Voor zover de atmosferische CO2-druk mede de luchttemperatuur aan het oppervlak bepaalt, werkt het hier geschetste systeem dus mee aan het functioneren van de aardse thermostaat die al ten minste bijna 4 miljard jaar operationeel is. Sinds de afzetting van de oudste bewaard gebleven sedimenten, 3.8 miljard jaar geleden, is de luchttemperatuur aan het oppervlak immers steeds binnen de bandbreedte gebleven waarin vloeibaar water kan bestaan, in ieder geval op lagere breedtegraden. Dit is des te opvallender als we bedenken dat de Zon steeds feller is gaan schijnen: de warmteafgifte van de Zon is in de 4.6 miljard jaar van zijn bestaan lineair met ongeveer 40% toegenomen!

De voorbeelden uit het verleden tonen aan dat CO2-druk en de gemiddelde luchttemperatuur aan het oppervlak wel met elkaar te maken (kunnen) hebben, maar dat er tussen beide géén eenvoudig verband is. Temperatuur en klimaat worden bepaald door een complex systeem, waarin de atmosferische CO2-druk slechts één factor is naast vele andere, die vaak onderling weer samenhangen. Eerstens zijn er natuurlijk de fluctuaties in de zonnestraling. De straling wordt afgeschermd door wolken, vulkanisch en antropogeen stof, en sulfaatmist. De wolkenvorming wordt ondermeer bevorderd door de aanwezigheid van zwaveldioxide, dat fungeert als condensatiekern voor waterdruppeltjes. De SO is ten dele afkomstig uit industriële bronnen, maar wordt vooral in de dampkring gebracht door vulkanen en via de grootschalige produktie van dimethylsulfide door fytoplankton in de oceaan; in de hogere luchtlagen wordt dit gas omgezet in SO. Dan is het vertikale warmtetransport belangrijk, vooral via de warmtepomp die werkt door middel van de verdamping en condensatie van water, evenals het laterale transport door lucht- en oceaanstromen. Op hun beurt zijn die stromen weer afhankelijk van de aanwezigheid en ligging van gebergteketens en de verdeling van land en zee. Elk van die klimaatbepalende factoren is min of meer variabel, op korte of lange termijn, en sommige zijn nog niet of slechts onvolledig bekend.

We hebben te maken met een chaotisch systeem, een planeetomspannend netwerk van talloze onderling samenhangende en op elkaar inwerkende processen. Dat dit chaotische systeem beschreven zou kunnen worden als een serie mathematische vergelijkingen die met behulp van een megacomputer kunnen worden uitgewerkt, moet wel een forse onderschatting zijn van het extreem complexe netwerk van dampkring, oceanen, ijskappen, wolken, de biosfeer, het aardoppervlak èn hun interacties dat het klimaat bepaalt. Men kan zich niet aan de indruk onttrekken dat de velen die de CO2-trom roeren true believers zijn, die de elementaire regel van Karl Popper veronachtzamen: dat je experimenten moet opzetten om de theorie te falsificeren, niet om haar te bewijzen. De vele 'natuurlijke experimenten' in het verleden die de geologische data-set daartoe aanreikt, worden door hen genegeerd.

Tot slot is het goed om te herinneren aan de verontrusting van een kwart eeuw geleden, toen klimatologen in de media alarm sloegen over de naderende nieuwe ijstijd. Berekeningen van de cycli die samenhangen met de ritmische veranderingen in de helling van de aardas en de afstand tot de zon, laten inderdaad zien dat, na afloop van de laatste ijstijd 10.000 jaar geleden,de door de aarde ingevangenen zonneënergie ongeveer 6.000 jaar geleden op zijn hoogtepunt was. Sindsdien is er gemiddeld een geleidelijke afname, tot een dieptepunt dat over 55.000 jaar zal zijn bereikt. De nieuwe ijstijd is dus in feite al begonnen. Lang voordat het dieptepunt is bereikt, zullen de polaire ijskappen zich echter al over enkele duizenden jaren weer naar lagere breedtegraden beginnen uit te breiden.

Scepsis

Het doemdenken van de komende ijstijd heeft verbazend snel plaatsgemaakt voor dat van de komende mondiale opwarming als gevolg van het 'versterkt broeikaseffect' van CO2. Gezien alle onzekerheden lijkt hiervoor weinig grond te zijn. Ook ten aanzien van de voorspelde gevolgen van een eventuele mondiale opwarming past enige scepsis. Nog maar kort geleden produceerden de klimaatmodellen schrikwekkende scenario's van zeespiegelstijging door het afsmelten van de poolkappen, die nu nog naijlen in de 'voorlichting' van groeperingen als Greenpeace. Inmiddels heeft men zich gerealiseerd dat deze grootschalige afsmelting niet kan kloppen - in het nu kurkdroge Antarctica zal de neerslag bij mondiale opwarming juist toenemen, zodat er eerder sprake zal zijn van aangroei van de ijskap. Ook bij de voorspellingen van de gevolgen van klimaatverandering voor verschillende regio's kan men vraagtekens zetten als we naar het geologische verleden kijken. Dat geldt bij voorbeeld voor de voorspelde uitdroging van de mid-continentale gebieden bij een warmer wordend klimaat. In de warmste periode ná de laatste ijstijd, 6.000 jaar geleden, waren er nagenoeg géén woestijnen en leefden er krokodillen en nijlpaarden midden in wat nu de Sahara is! De verwoestijning van de afgelopen millennia, die in onze tijd snel voortschrijdt, heeft veeleer te maken met intensiever en veranderend landgebruik door de sterke bevolkingsdruk.

En waarom moet een mondiale opwarming, al dan niet antropogeen, per se desastreus zijn? Sommigen verdedigen de opvatting dat het voor de mensheid als geheel juist gunstig zal zijn. Dat geldt ook voor de stijging van de atmosferische CO2-concentratie, waardoor vegetatiegroei en dus voedselproduktie voor de stijgende wereldbevolking zullen toenemen. In de kassen van het Westland wordt nu al extra CO2 ingebracht, tot 2 à 3 maal de atmosferische druk, om de produktie te verhogen.

Het zal wel met onze erfenis van het calvinistische gedachtengoed te maken hebben dat juist in Nederland de voorspellingen van planetaire doem als gevolg van zondig menselijk handelen zo gretig door publiek, media en politici worden omarmd. Misschien is het géén toeval dat de boodschap van de CO2-apocalyps in academia vooral door 'broeikasdeskundigen' van de gereformeerde Vrije Universiteit wordt verkondigd - na elke flinke storm zien we er een in het NOS-journaal verkondigen dat dit het begin is van het broeikasonheil.

Voor politici is het broeikaseffect een ideaal excuus: in plaats van zich te moeten bezighouden met milieuproblemen waaraan direkt wat te doen is, om maar niet te spreken van de catastrofale bevolkingsexplosie, kunnen zij zich visionair profileren met de planetaire CO2-catastrofe. Daarnaast lijkt in wetenschapskringen enig opportunisme opgeld te doen: de dreiging van een CO2-catastrofe genereert immers omvangrijke geldstromen voor onderzoek. Dissidenten die vraagtekens zetten bij de ideologie van de komende CO2-apocalyps worden dan ook genegeerd of bestreden.