Brilletje

Balletje, belletje, billetje, bolletje en bulletje.

Het was dolletjes, zo samen in dat dalletje.

Een delletje met een eigen willetje, maar qua snolletje stak zij lekker in haar velletje.

Hij zei: “Je bent zo zacht als een molletje, je smaakt als een ongebakken mulletje.”

Hij gaf een kusje op haar lelletje, zij gaf een gilletje. Gaf hem een tikje op zijn lulletje en hij gaf een brulletje.