Alles is beter dan partij kiezen en meevechten in Bosnische oorlog

De wereldgemeenschap maakt een cruciale fout door onpartijdig te willen blijven in het Joegoslavische conflict, schreef Alfred van Cleef onlangs op deze pagina. Hij pleitte ervoor dat het Westen de Bosnische Serviërs de oorlog verklaart. E.P.B. Tomasso en Raymond van den Boogaard leggen uit waarom ze dat een kortzichtig en onbesuisd voorstel vinden.

Oorlog is, daarover lijkt in de hedendaagse wereld bijna consensus te bestaan, een buitengewoon kostbaar en ineffectief middel om sociale en politieke vraagstukken op te lossen. Vandaar dan ook dat, vooral sinds de Eerste Wereldoorlog was uitgedraaid op een zinloze slachtpartij zonder weerga, de internationale gemeenschap steeds heeft geprobeerd oorlog als politiek middel uit te bannen. Voor het gewapende conflict, zo is een van voornaamste doctrines waarop bijvoorbeeld de Verenigde Naties zijn gebaseerd, moeten andere mechanismen in de plaats komen: onderhandeling, bemiddeling, vermindering van spanningen.

Oorlog als middel behoudt echter ook zijn emotionele aantrekkelijkheid voor sommigen, vooral misschien sinds het einde van de Koude Oorlog het risico van het ontstaan van wereldoorlogen uit regionale conflicten heeft doen afnemen. Er schuilt iets verleidelijks in de mogelijkheid, onrecht met gerechtvaardigd geweld te beantwoorden, en schurken hun gedrag betaald te zetten. Niettemin lijkt me het voorstel van Alfred van Cleef (NRC HAndelsblad, 29 juni) tenminste 100.000 NAVO-soldaten naar Bosnië-Herzegovina te zenden die aan de zijde van de Bosnische regering zouden moeten vechten, een slecht idee.

Van Cleefs argumentatie berust op een grove onderverdeling van de Bosnische maatschappij, of liever gezegd de militair-politieke klasse in dat land, in schuldigen en onschuldigen, in bedrijvers van genocide en behoeders van de multiculturele samenleving. Welnu, over de schurkachtigheid van de Bosnisch-Servische voorlieden hoeft geen verschil van mening te bestaan, maar elk vertrouwen in de intenties en het democratisch gehalte van de partij die Van Cleef zou willen steunen, lijkt mij misplaatst.

De SDA, zoals deze partij heet, is anders dan de bewonderaars van het 'multiculturele Bosnië' schijnen te geloven, in het geheel geen multiculturele partij, maar een duidelijke moslim-beweging. Van de drie oorlogspartijen in Bosnië-Herzegovina is de SDA zeker de meest geslotene, zoniet de meest enigmatische. En haar blazoen is geenszins onbevlekt.

De SDA heeft door middel van langdurige bedreiging en intimidatie een einde gemaakt aan de macht van de lokale, ex-communistische autoriteiten in Tuzla, omdat die lange tijd neutraliteit in de burgeroorlog betrachtten. Tegen het overwegende moslim-gebied bij Bihac heeft die SDA vanuit Sarajevo zelfs een echte veldtocht georganiseerd. Beide operaties hadden ten doel in de niet expliciet Servische of Kroatische gebieden een machtsmonopolie voor het SDA te vestigen.

Evenmin heeft de regering in Sarajevo zich ethischer dan de andere oorlogspartijen betoond, toen er in 1993 de mogelijkheid bestond op de Kroatische partij gebied te veroveren. Bij die gelegenheid heeft zich het treurige patroon herhaald van zoveel andere militaire campagnes in het rampzalige ex-Joegoslavië: wat exemplarische slachtpartijen op onschuldige dorpelingen, in de verwachting dat de rest van de bevolking van de regio de benen zal nemen.

De Serviërs hebben in Sarajevo niet het monopolie op sluipschutters en het schieten op burgerdoelen, zoals Van Cleef schijnt te denken. Maar het voornaamste bezwaar tegen een NAVO-ondersteuning voor het SDA lijkt me nog wel, dat het hier een beweging betreft zonder een schijn van interne democratie. Zowel het parlement als het presidium in Sarajevo zijn niet veel meer dan neocommunistische applausmachines. Tekenend voor het gehalte van de democratie is wel dat in 1993 - toen de Serviërs akkoord dreigden te gaan met het tweede vredesplan Vance-Owen, maar de regering in Sarajevo meer heil zag in voortzetting van de oorlog - men het parlement volledig passeerde door eerst een geheel door de SDA gecontroleerde vergadering van notabelen bijeen te roepen, die het vredesplan braaf verwierp.

De SDA kortom, is zeker niet schurkachtiger dan andere oorlogspartijen in Bosnië-Herzegovina, maar ook niet merkbaar beter. Het gaat in alle gevallen om moeilijk doorgrondbare machtsconglomeraten van politieke- en militaire ondernemers, vaak met externe financiering, die meer belang lijken te hebben bij oorlog dan bij vrede.

Een zeer succesvolle veldtocht van de 'Bosnische' troepen met NAVO-ondersteuning zou, zo valt te vrezen, vooral neerkomen op een omkering van de eerder tegen de moslim-bevolking gerichte etnische zuiveringen, met nu ongeveer één miljoen Serviërs als slachtoffer. Misschien dat de aanhangers van de gedachte aan een 'rechtvaardige' oorlog hierin enig heil zien, ik voor mij hoop toch erg dat de internationale gemeenschap een dergelijke weg niet opgaat, en kan me dat ook nauwelijks voorstellen.

Van Cleef heeft - niet geheel onbegrijpelijk - een broertje dood aan sceptici, die menen dat Bosnië-Herzegovina een van oudsher zeer gewelddadig land is. “Sommigen beweren dat er een Balkan-mens zou zijn”, schrijft hij afkeurend, “een bloeddorstig wezen dat al eeuwenlang zijn medemens uitmoordt”.

Mij zijn echter geen redeneringen van deze strekking bekend. Niemand van enige importantie beweert bij mijn weten nog dat er zoiets als een Balkan-mens bestaat, evenmin als een Hollandse mens, of een Vlaamse mens. Wat wèl aan de orde is, is het bestaan van streken en gebieden met een onderscheiden cultuur, waar de houding tegenover conflict, oorlog of geweld in het algemeen een andere is dan, laten we zeggen, op Walcheren. Bosnië-Herzegovina is geenzins het enige gebied op de wereld, waar een dergelijke gewelddadige cultuur bestaat: de Kaukasus, Noord-Ierland en Corsica zijn andere voorbeelden.

Er is geen enkele goede reden te bedenken te ontkennen dat Bosnië-Herzegovina een buitengewoon gewelddadige streek is op deze aarde, en dat de hopeloze oorlog van deze jaren niet alleen maar het resultaat is van een vooraf bepaalde strategie van een of meer oorlogspartijen, maar ook van geweld in de dorpen en van een bepaalde mentaliteit, een enthousiasme zelfs, die heeft gemaakt dat de burgeroorlog kon beginnen en kan worden voortgezet.

Het is voor een overheid of een interventiemacht of een vredesmacht natuurlijk heel moeilijk greep te krijgen op een conflict en een maatschappij zoals die in Bosnië-Herzegovina. Zelfs in eigen land ligt de gedachte aan de 'maakbare samenleving' immers al ver achter ons, laat staan dat iemand zou moeten denken dat men met wapengeweld in Bosnië een einde kan maken aan oorlog, of op Corsica aan de populariteit van de bloedwraak.

Toch zit er weinig anders op dan moeizame social engineering van de soort zoals de Verenigde Naties die nu, voorshands zonder veel succes, bedrijven in ex-Joegoslavië, wil men tenminste niet helemaal zijn handen van het conflict aftrekken. Uitgangspunt daarbij moet zijn, de Bosniërs ervan te overtuigen dat het nuttiger is de oorlog te staken, en ook wat dit betreft aansluiting te zoeken bij de hoofdstroom in het politieke en sociale denken van onze dagen, die onderhandelingen en compromissen voorschrijft en wars is van oorlog.

Het is in dit verband ook onjuist om, zoals Van Cleef doet, te spreken over een oorlog 'in het hart van Europa'. Bosnië is niet het hart van Europa, het is een naar algemene Europese maatstaven achterlijk gebied in vele opzichten. Een daarvan is het volstrekt ontbreken van een geweldsmonopolie van de nieuwe staat die in 1992 internationaal werd erkend - een daad die mijns insziens alleen al om die reden buitengewoon lichtzinnig moet worden genoemd.

Het streven naar vrede en daarna modernisering in Bosnië-Herzegovina zal ongetwijfeld een proces van lange adem zijn. Wellicht zal het niet mogelijk blijken te verhinderen dat de verwoestingen en moordpartijen in Bosnië-Herzegovina nog jaren doorgaan. Maar alles lijkt beter dan de zelfzuchtige emotionele bevrijding van onbesuisd partijkiezen en meevechten in de Bosnische burgeroorlog. Zo'n voorstel is toch vooral een pleidooi voor culturele regressie in onze eigen streken.