Vertelster van de Surinaamse historie

DEN HAAG, 5 JULI. Ze wilde een historische roman schrijven over de Surinaamse slaventijd, maar geen aanklacht. “Een Hollandse kennis zei tegen me: ik ben altijd bang voor dit soort boeken omdat ik me er zo schuldig van ga voelen. Maar bij jouw boek had ik dat helemaal niet.”

Gelukkig maar, vindt de Surinaamse schrijfster Cynthia Mc Leod, auteur van de roman Hoe duur was de suiker? (1987), over een joodse plantersfamilie in het 18de-eeuwse Suriname. Van het boek werden in Suriname meer dan 12.000 exemplaren verkocht, onlangs verscheen een Nederlandse editie.

Mc Leod, een dochter van Suriname's eerste president Ferrier, is een kwieke 58-jarige die haar tijd verdeelt tussen Suriname en Nederland. In Den Haag brengt ze vaak dagen door in het Rijksarchief, op zoek naar historische bronnen over minder bekende hoofdstukken in de sociale geschiedenis van Suriname.

Met Hoe duur was de suiker? wilde Mc Leod voorzien in een leemte in de Surinaamse historische literatuur. “In boeken over de geschiedenis van Suriname hoorde je altijd maar over twee dingen: Nederlandse gouverneurs en ruzies. En natuurlijk over de gevolgen van Nederlandse oorlogen voor Suriname: Engels Tussenbestuur Eén, Engels Tussenbestuur Twee. Maar nooit iets over hoe de mensen vroeger leefden. Dat wilde ik beschrijven.”

In de jaren tachtig, onder het regime van sterke man Bouterse, werden de koloniale heldenrollen omgedraaid - maar even ongenuanceerd. “Toen waren de marrons, de weggelopen slaven, opeens de goeden in plaats van de slechten. Het werd allemaal een constante oorlog tussen zwart en blank. Daar was ik het óók weer niet mee eens: de werkelijkheid is anders.” In Hoe duur was de suiker komen de uitwassen van de slaventijd onverbloemd aan bod, maar ook de meer redelijke contacten tussen blanken en zwarten. En de, vaak ongelukkige, liefde speelt een grote rol. Is haar boek soms een Surinaamse Gone With the Wind? Ze glimlacht. “Dat kun je misschien best zeggen, ja. In elk geval meer Gone with the Wind dan Uncle Tom's Cabin.”

Het grootste deel van de jaren tachtig bracht Mc Leod door als ambassadeursvrouw in Venezuela, de Verenigde Staten en België, waar ze aan haar boek begon. “Ik had niet veel te doen, ik kon gaan schrijven.” Ze schreef met de hand, het manuscript werd getypt door de secretaresse van haar man. “Hij was een strenge baas, ze mocht nooit aan mijn boek werken in kantooruren. Dus ze kwam in het weekeinde terug om te typen, want ze vond de letter van die machine het mooist.” Nu werkt ze zelf op een lap top.

In Suriname werd haar boek een instant-bestseller. In drie uur tijd gingen tijdens Mc Leods eerste signeer-sessie in Paramaribo 675 exemplaren door haar handen. Ze is er bescheiden over. “Ach, als mensen me vragen waarom het boek zo goed verkocht zeg ik altijd 'er was niks anders'. Maar het is waar: het boek wordt door iedereen gelezen, van directeur tot schoonmaakster. Over Surinamers bestaat het idee dat ze niet geïnteresseerd zijn in hun eigen geschiedenis en cultuur, maar dat is niet zo. Ze hebben een geweldige honger om te weten hoe het vroeger was, misschien juist nu het zo slecht gaat. Het moet alleen prettig geschreven zijn. En ik ben een verteller. Al op school. Je hebt van die kinderen van wie het opstel altijd op het bord komt. Zo was ik.”

Een verteller is ze, geen 'literatuurpleger'. Met de moderne westerse literatuur heeft Mc Leod maar weinig op. “Ik vind dat vaak zo'n ego-tripperij. Allemaal ik-figuren die bezig zijn met hun niet-verwerkte jeugd. Ik houd daar niet zo van, mijn favoriete schrijver is Couperus.” Van Mc Leod verschenen na Hoe duur was de suiker? de vertelling Vaarwel Merodia, over het leven van Franse hugenoten die uitweken naar Suriname, en de studie Elisabeth Samson, over een vrije zwarte vrouw in de 18de eeuw.

Voor de Nederlandse uitgave van Hoe duur was de suiker? vertaalde ze de Surinaamse dialogen en schrapte ze typisch Surinaamse uitdrukkingen. “Ik schrijf dat iemand tjoerie maakte, een afkeurend geluid, daar maakte ik dan van 'zei ze ontevreden'. En soms heb ik details als straatnamen weggelaten, bijvoorbeeld als de Domineestraat tijdens een regenbui onder water loopt. Dat is voor Surinamers heel aardig want die kunnen dan zeggen 'Wat? Toen ook al?'. Maar Nederlanders zegt dat natuurlijk niets.”