'Seriemisdadiger blijft dicht bij huis'

LEIDEN, 5 JULI. Nederlandse serieverkrachters zoeken hun slachtoffers dicht bij huis. Ze plegen 39 procent van hun delicten in een straal van twee kilometer rond hun eigen woonhuis, 70 procent van de delicten heeft plaats binnen een cirkel van zes kilometer.

Dit zijn de eerste vruchten van een 'geografische analyse' van de Centrale Recherche Informatie (CRI) naar serieverkrachting in Nederland. Onderzoeker E. de Kleuver heeft in Nederlandse politiearchieven van de afgelopen tien jaar overigens slechts vijftien 'serieverkrachters' gevonden - al kan het werkelijke aantal veel hoger liggen. Ze pleegden ieder tenminste vijf verkrachtingen, en waren het afgelopen decennium verantwoordelijk voor 156 zaken. Bijna de helft van hun delicten werd gepleegd in de woning van het slachtoffer, 19 procent in een park of plantsoen en 23 procent op de openbare weg.

Slechts één serieverkrachter pleegde zijn delicten gemiddeld op meer dan tien kilometer van zijn woonhuis. Deze zogeheten 'marathonloper' kwam tussen 1985 en 1990 tot een serie van 25 verkrachtigen in en rond de Randstad. Het betrof een lange-afstandloper uit Zaanstad, die zijn slachtoffers vaak opzocht na afloop van een wedstrijd. De kleinste actieradius had de zogeheten 'liftverkrachter': hij vond al zijn slachtoffers op weg van huis naar zijn vaste dealer, 760 meter verderop.

Deze eerste proeve van 'geografische daderprofilering' in Nederland werd gisteren gepresenteerd op een studiedag van het Nederlands Studiecentrum voor Criminaliteit en Rechtshandhaving in Leiden, voor een publiek van tachtig rechercheurs. Hoewel 'profielanalyse' in Nederland nog in de kinderschoenen staat, is de techniek in de mode. Daderprofielen, bedoeld als ondersteuning van het traditionele recherchewerk, werden eind jaren zeventig ontwikkeld op de FBI-academie in Quantico, Virginia. Door analyse van (opgeloste) seriemoorden en interviews met daders werd getracht karakteristieken te vormen van 'typen' seriemoordenaars. Soortgelijke profielen ontwikkelt men in de Verenigde Staten momenteel voor seriemisdadigers zoals kindermoordenaars, pyromanen en seksuele sadisten.

'Geografische daderprofilering' is een specialisme dat zich richt op een vraag: 'waar woont de dader?'. Onderzoek in de Verenigde Staten en Groot-Brittanië heeft aangetoond dat seriedelinquenten geneigd zijn hun delicten dicht bij het eigen adres te plegen, in een 'vertrouwde omgeving'. Wel hanteren ze meestal een 'bufferzone' rond hun woonhuis, waar ze niet actief zijn uit angst herkend te worden. Door een serie in kaart te brengen, kan de politie een beeld krijgen van de meest waarschijnlijke woonplaats van de dader, of de meest waarschijnlijke plaats waar hij de volgende keer zal toeslaan. Zo kan gerichter worden gezocht, bijvoorbeeld door intensief surveilleren, huis-aan-huis onderzoek of een gerichte speurtocht naar daderbestanden binnen het betreffende gebied.

C. Schippers van de CRI, die een eenjarige FBI-cursus volgde in Quantico en de politiekorpsen sindsdien bij 103 zaken van advies heeft gediend, erkent dat seriedelicten in Nederland nog relatief zeldzaam zijn. De serie van Ludo de B., die in België jonge meisjes oppikte en in Nederland verkrachtte, doodde en begroef, stokte bij twee moorden. Ook de moordenaar van het 7-jarige meisje Jessica Laven kwam waarschijnlijk niet verder dan drie slachtoffers. Serie-brandstichting komt in Nederland frequenter voor. En in het recente verleden zijn er ook enkele voorbeelden van seriemisdaden die door het ontbreken van centrale registratie aan de aandacht van de politie ontsnapten.

De 'marathonloper' is daar volgens Schippers een voorbeeld van. De man kwam voor het eerst onder de aandacht van de politie in 1988, toen het Amsterdamse Rembrandtpark het toneel was van een serie aanrandingen en verkrachtingen. Het inzetten van een vrouwelijke agent als lokvogel leidde niet tot resultaat en na het vertonen van een compositiefoto bij 'Opsporing Verzocht' en een publikatie in een weekblad verplaatste de verkrachter zijn jachtterrein. Twee jaar later werd de 'marathonloper' na een insluiping bij toeval aangehouden. Tijdens het verhoor bekende hij een lange serie verkrachtingen, waaronder die in het Rembrandtpark. Schippers: “Zijn benaderingsmethode van slachtoffers was altijd gelijk, maar omdat de delicten over de hele Randstad verspreid waren, werd er nooit een verband tussen de zaken gelegd en verdwenen de aangiftes in de archiefkasten. Met een landelijk computersysteem hadden we kunnen ontdekken dat er sprake was van een serieverkrachter, en had de opsporing een hogere prioriteit gekregen.”

De CRI heeft sinds enige tijd de beschikking over VICLAS, het 'Violent Crime Linkage Analysis System', een Canadees computersysteem voor registratie van geweldsmisdrijven dat zelfstandig patronen signaleert. Volgens Schippers zal het nog jaren duren voor het systeem ter beschikking kan worden gesteld aan de politieregio's. Intussen is de kans dat zware seriedelicten worden opgelost volgens Schippers de laatste jaren eerder af- dan toegenomen. Bij de regionalisering van de politie zijn centrale afdelingen moordzaken of jeugd- en zedenzaken ingekrompen en ervaren rechercheurs over de districten verspreid. Schippers: “De kwaliteit van het recherchewerk is daardoor wel heel sterk gedaald.”

bpSchippers verwacht dat daderprofielen ook in Nederland steeds vaker gebruikt worden, al bieden ze nooit harde zekerheden. Schippers: “Er zijn altijd personen die zich aan elk patroon onttrekken, maar in de regel gedragen seriemisdadigers zich aan deze kant van de oceaan niet anders dan in de Verenigde Staten. Ze ontwikkelen bijna altijd een vast 'jachtterrein', benaderingswijze en methode.”

xp