Schilders van het 'authentieke' Katwijk

Tentoonstelling: Katwijk in de schilderkunst. Katwijks Museum, Voorstraat 46, Katwijk aan Zee. T/m 30 september. Di-za 10-12 en 14-17 uur. Catalogus 230 blz., illustraties in kleur en zwartwit, ƒ 49,50.

De zee bij Katwijk is bruingrijs. Een sombere kleur die het licht absorbeert. Aan het weer ligt het niet, want het is een stralende dag. In het zand staan lange rijen strandhokjes, vrolijk geschilderd in lichtblauw en wit, maar ook zij kunnen de sfeer van weemoed niet verdrijven.

Dit is de eigen kleur van de zee bij Katwijk. De tentoonstelling Katwijk in de schilderkunst in het Katwijks Museum bevestigt het; de schilderijen tonen steeds de zee in die bruingrijze tint. Van Jan van Goyen tot Jan Toorop, in zomer of winter, altijd is de zee van lood. Niet dat dat niet mooi kan zijn. Het doek De Vuurbaak van Katwijk bijvoorbeeld, geschilderd door Willem Anthonie van Deventer (1824-1893), is een subtiel spel van gedekte schakeringen groen, grijs en bruin, en een zacht lavendel voor de ruime wolkenlucht. Of het prachtige Vissersmeisje op het strand, van Jozef Israëls (1824-1911), van een meisje dat op een regenachtige dag met haar blote voeten in het koude natte zand zit. Bijna is het een grisailleschildering. De zee, het strand, en het meisje met de schelpenmand op haar rug, alles is opgebouwd uit hetzelfde bruingrijs.

Maar zorgeloos zijn deze schilderijen nooit. Het frivole Scheveningen ligt weliswaar vlakbij, duidelijk zichtbaar langs het strand, maar de afstand is in zekere zin onoverbrugbaar. Het Kurhaus van Scheveningen, de carrousel op de boulevard, de drukke haven met vissersschepen en plezierbootjes, dat alles is in Katwijk ondenkbaar.

In Katwijk is frivoliteit een zonde. Jan Toorop symboliseerde dit in 1891 in een tekening van twee oude Katwijkse vissers, zittend op een duintop. Toorop bracht vele zomers door in Katwijk en liet zelfs door Berlage een atelierwoning bouwen aan de boulevard. Drie verschillende titels gaf hij de tekening, alle even veelzeggend: Les Calvinistes de Catwijck, Hel en Twijfel en Oude bijgelovige Dromers. De twee magere mannen op de tekening staren hologig voor zich uit. De een is een grimmige onheilsprofeet die weet dat 'alles mis is' (in de woorden van de criticus Albert Plasschaert in 1914). De ander is een streng gelovige die doordrongen is van zijn schuld en zonde. Hij durft er nooit zeker van te zijn dat hem ooit verlossing en een plaatsje in de hemel ten deel zullen vallen. Zwartgallige gelovigen hadden een sterke invloed op het sociale leven in Katwijk. Ze wonen er trouwens nog steeds.

Dat de Katwijkers tot zwartgalligheid vervielen is wel in te denken. De visserij heeft hen nooit welvaart gebracht. Ook al verkochten zij hun vis al in de 14de eeuw tot in Maastricht en Luik, zij konden de concurrentie met de Maassteden niet aan. Deze steden hadden namelijk het recht van haringkaken, waardoor de haring veel langer houdbaar was, een recht dat Katwijk onthouden werd. Ook eiste de zee van Katwijk een zware tol. Bij storm verdwenen soms tientallen huisjes in het water; een keer in de 17de eeuw, toen het dorp circa 1300 inwoners telde, werden zelfs zeventig huizen tegelijk verzwolgen. De zee drong het dorp steeds verder landinwaarts. De Oude Kerk, die in de 15de eeuw midden in het dorp werd gebouwd, stond in de 17de eeuw aan de rand. Daar staat het mooie witte kerkje, met zijn toren en dubbele beuken, nu nog, hoog aan de boulevard.

In 1857 maakte een nieuwe zeewet eindelijk een einde aan de ongelijke behandeling van de vissersplaatsen. Het aantal schepen nam toe, en aan het einde van de 19de eeuw beleefde Katwijk een korte bloeiperiode. Dit is ook de periode, van 1880 tot circa 1910, waarin tientallen schilders de zomer in Katwijk doorbrachten, niet alleen Nederlanders, maar ook Duitsers, Engelsen en Amerikanen. Zij hielden van het 'authentieke' van Katwijk. Het witte kerkje en de vierkante vuurtoren zijn door hen ontelbare malen vereeuwigd. Een ander favoriet onderwerp was de 'bomschuit'. Dit kolossale zeilschip met zijn ronde vormen en gesloten dek bepaalde rond de eeuwwisseling het gezicht van Katwijk. Het werd door paarden op het strand getrokken en kreeg de naam 'zijdse bom': bom van de zijde (de kust). Vanaf 1920 maakten de bomschuiten en zeilloggers plaats voor motorschepen. Aan het strand kwamen geen schepen meer, en de visafslag verdween. Hiermee verloor Katwijk voor schilders zijn fascinatie.

Deze schildersgeschiedenis is uitvoerig gedocumenteerd in de fraaie catalogus bij de expositie. Maar liefst 440 buitenlandse en eenzelfde aantal Nederlandse Katwijk-schilders zijn erin vermeld, sommigen van grote faam. Zo bezocht William Turner Katwijk in 1817 en 1825. De Amerikaanse fotograaf Alfred Stieglitz arriveerde in 1894. Hij maakte een schitterende foto die helaas niet op de expositie is te zien, evenmin trouwens als de tekeningen van Turner. De foto toont twee roddelende vrouwen in klederdracht, met lange wapperende rokken, zich schrap zettend tegen wind en regenvlagen, de handen stevig in de zij geplant, en de hoofden naar elkaar geneigd. De zee heeft witte schuimkoppen, en links is net de achterkant van een bomschuit te zien.

'Drie eeuwen' schilderkunst, zoals in de aankondiging van de tentoonstelling wordt vermeld, is een overdrijving. Afgezien van een enkel werk van Van Goyen en Jacob van Ruisdael stammen de meeste schilderijen uit de tweede helft van de 19de eeuw. Ongeveer honderd ervan hangen verspreid door de voormalige rederswoning, temidden van neo-empire meubelen, klederdrachten en oude scheepsmodellen. Maar toch creëren museum, boek en tentoonstelling samen een boeiende geschiedenis.