Naaste medewerker Berlusconi vervolgd

ROME, 5 JULI. Een naaste medewerker van de Italiaanse mediamagnaat Silvio Berlusconi moet terechtstaan wegens financiële fraude, zo heeft een Milanese rechter gisteren besloten. Het besluit over een mogelijk proces tegen Berlusconi zelf is doorgeschoven naar 20 september.

Op 24 mei volgend jaar zal het proces beginnen tegen Marcello Dell'Utri - tot voor kort president van Berlusconi's reclamebureau Publitalia - en 21 andere verdachten. Het openbaar ministerie in Milaan beschuldigt Dell'Utri ervan met behulp van valse rekeningen zwart-geldfondsen ter waarde van veertig miljoen gulden te hebben geschapen.

Deze fondsen zouden voor verschillende doeleinden zijn gebruikt: de aankoop van luxe goederen, kortingen onder tafel voor bepaalde adverteerders bij Publitalia en mogelijk ook voor het betalen van smeergeld. Justitie hoopt hier meer duidelijkheid over te krijgen als zij volgende maand van de Zwitserse autoriteiten de gevraagde informatie over Zwitserse bankrekeningen van Publitalia krijgt.

Dell'Utri is twee weken geleden afgetreden als president van Publitalia om te voorkomen dat het bedrijf onder curatele wordt gesteld. Vrijdag moet een civiele rechtbank in Milaan daar een uitspraak over doen. Ook Berlusconi's dochter Marina en zijn zoon Piersilvio zijn uit de raad van bestuur van Publitalia gestapt.

Zoals werd verwacht is de hoorzitting over een eventueel proces tegen Berlusconi zelf, op verdenking van medeplichtigheid aan corruptie, doorgeschoven naar 20 september - veel eerder was niet mogelijk, want de rechtbanken in Italië gaan tussen 15 juli en 15 september dicht. De verdediging kreeg meer tijd om de dossiers te bestuderen, die vlak voor het begin van de hoorzitting van gisteren waren aangevuld met een nieuw pakket.

De zaak tegen Berlusconi betreft betalingen door onderdelen van zijn Fininvestgroep aan de Guardia di Finanza, een soort fiscale recherche. De justitie verdenkt Berlusconi ervan hierbij persoonlijk betrokken te zijn geweest. Berlusconi ontkent dat en wijst er daarbij op dat het om relatief kleine bedragen van in totaal ongeveer 350.000 gulden gaat. Bovendien zijn die betalingen volgens Berlusconi geen poging tot omkoping, maar het gevolg van afpersing door de belastinginspecteurs. In deze zaak staan naast topmanagers van Fininvest ook een aantal leden van de Guardia di Finanza terecht.

Het onderzoek tegen Berlusconi en zijn medewerkers wordt steeds meer overschaduwd door de ontwikkelingen in het onderzoek naar Antonio Di Pietro, de gangmaker achter de smeergeldonderzoeken, die in april definitief uit de magistratuur is gestapt. Van het verhoor van achttien uur afgelopen zondag van Di Pietro zijn inmiddels enkele details bekendgeworden. Zo heeft Di Pietro onder meer gesproken over komplotten om hem en zijn collega's in de smeergeldgroep het werk onmogelijk te maken.

Zijn advocaat Massimo Dinola zei maandag dat Di Pietro de magistratuur heeft verlaten “om het (smeergeld)onderzoek te beschermen tegen de gewelddadige reactie tegen hem, en via hem tegen de hele magistratuur”. Volgens persberichten heeft Di Pietro hierbij ook namen genoemd van hoge functionarissen en politici.

Na deze beschuldigingen van Di Pietro heeft Fabio Salamone, de openbare aanklager uit Brescia die het dossier onder zijn hoede heeft, het onderzoek in tweeën gesplitst. Een deel betreft de beschuldigingen aan het adres van Di Pietro, die een rentevrije lening van een ton heeft aangenomen van een verzekeraar die is veroordeeld wegens fraude. Het andere deel betreft het mogelijke komplot.