Kleur zwijgende film lang versmaad

Genoemde workshop, van 26 tot 29 juli as. is slechts voor een kleine groep internationale deskundigen toegankelijk. In de avonduren zijn er echter toepasselijke, voor algemeen publiek toegankelijke voorstellingen in het Filmuseum, oa. van Fritz Langs Harakiri uit 1919.

AMSTERDAM, 6 JULI. De films van de zwijgende cinema van voor 1930 zijn voor het grote publiek nog altijd vanzelfsprekend zwartwit-films. Voor de contemporaine toeschouwer was niets minder waar: “tachtig procent van alle films was in kleur”, weet Daan Hertogs, hoofd studiecentrum van het Nederlands Filmmuseum in Amsterdam.

Kleurenfilms in moderne zin bestonden natuurlijk niet, maar filmkopiën werden vanaf het vroegste begin in ateliers ingekleurd, eerst met de hand, later met stencilapparatuur. Of filmkopiën werden door een verfbad gehaald, volgens twee verschillende, in combinatie met elkaar toegepasbare procédés: tinting, waarbij het gehele filmbeeld van een kleur werd voorzien, en toning waarbij alleen de zilverdeeltjes werden getint, en het wit zodoende wit bleef.

Tot in de jaren tachtig zijn de nitraatfilms van de zwijgende cinema altijd in zwart-wit op het minder brandbare acetaat overgezet. Het Nederlands Filmmuseum is er als een der eerste filmarchieven toe overgegaan oude films met behoud van de kleur te conserveren, voor zover er nog gekleurde kopiëen beschikbaar waren.

“Over het gebruik van kleur in de zwijgende cinema is nog weinig geschreven, er is nauwelijks theorievorming”, meent Hertogs, aan de vooravond van een internationale workshop van het Filmmuseum over dit onderwerp. “De zwijgende film is lang gezien als primitief”, zegt hij. Sinds een jaar of vijftien is echter het inzicht ontstaan dat de vroege cinema niet als een mindere, maar als een andere cinema moet worden gezien. Maar waar de laatste jaren talrijke studies zijn verschenen over onderwerpen als camera-instelling of acteertechniek in de zwijgende film, zit kleur nog steeds in het verdomhoekje.

Dat is bijna traditie, want al in de jaren twintig was kleur ten prooi aan de banvloek van kunstzinnig ingestelde filmliefhebbers. “Ook in Nederland vond men bij de Filmliga dat ware filmkunst in zwart-wit was, zoals men zich ook verzette tegen de geluidsfilm”.

De opkomst van de geluidsfilm, rond 1930, was de doodssteek voor het kleuren van de filmkopiën, terwijl het nog meer dan tien jaar zou duren voordat op grote schaal moderne kleurenprocedes beschikbaar kwamen in de filmindustrie. “De reden die daarvoor wordt aangevoerd, is meestal een technische”, zegt Hertogs. “Een kleurenbad zou het geluidsspoor op de film kunnen aantasten. Maar zelf denk ik, dat men meende dat kleur op de oude manier 'niet meer kon'. De aanwezigheid van geluid bij de film bracht een zeker realisme teweeg, en kleurtjes werden dan als te kunstmatig ervaren”. Het zijn deze inhoudelijke aspecten van het kleurgebruik in de zwijgende film die men in de internationale workshop hoopt te belichten, eerder dan de technische.

Voor de gangbare voorstellingen - bijvoorbeeld dat blauw voor de nacht werd gebruikt, rood voor liefde en hartstocht en geel voor zonlicht - geeft Hertogs weinig. “Wij hebben in onze collectie heel wat films waar soms voor ons heel vreemde keuzes zijn gemaakt. Kleur werd als een essentieel onderdeel van film gezien, en men maakte keuzes met een vrijheid die soms aan die van schilders doet denken”. Die vrijheid - bijvoorbeeld om sommige delen van het filmbeeld ongekleurd te laten - zou met de moderne kleurenfilm aanvankelijk weer verloren gaan.

De beslissing over het aanbrengen van kleur op kopiën lag vaker bij de studio dan bij de filmregisseur, vermoedt Hertogs. Overigens had in het begin van de eeuw een filmvertoner al vaak de keuze tussen een gekleurde, en een zwart-wit-kopie van een film. De eerste was duurder. Kleuren werden niet alleen bij speelfilms aangebracht, maar ook bij documentair materiaal.

De thans gangbare technieken voor het kopiëren van nitraat-kleurenkopiën uit de tijd van de zwijgende cinema zijn niet perfect. Reikhalzend zien filmconservators uit naar de ontwikkeling van de digitale technieken op dit gebied. En natuurlijk speelt ook hier het algemene probleem van de filmarchieven: de fondsen voor conservering blijven achter bij de verlangens, terwijl de oude nitraatfilms, afhankelijk van hun technische toestand, onafwendbaar in ontbinding overgaan en onzichtbaar worden.

Terwijl het Nederlands Filmmuseum wegens een teruggang in de subsidie minder nitraatfilms kan ovezetten dan voorheen, blijkt ook de latere, échte kleurenfilm aan bederf onderhevig. “Op den duur verdwijnen de kleuren voor een rode waas”, meldt Hertogs. “Maar gelukkig is de oplossing eenvoudiger dan bij nitraat: de acetaat-kleurenfilms moeten worden bewaard bij vijf graden celsius en behouden dan hun kleur”. Over hoe de investering in koelmachines en de toekomstige energierekeningen moeten worden gefinancierd is nog onduidelijk.