Honderden olieplatforms op Noordzee: slopen of dumpen?

Enkele honderden olie- en gasplatforms op de Noordzee moeten verwijderd worden. Na Shell's debâcle met de Brent Spar hebben de eigenaren van de installaties weinig haast om een besluit te nemen over sloop, dumping, verplaatsing of conservering. Want de kosten zijn hoog: gemiddeld 20 miljoen gulden per (Nederlands) platform. Het Nederlandse bedrijf Heerema dat 300 Noordzeeplatforms plaatste, is in de markt om ze in brokstukken naar de wal te slepen. “Milieugevaarlijke componenten kunnen verwijderd worden.”

De oude Brent Spar ligt zich voor de Noorse kust te verbazen over het uitstel van haar executie. Greenpeace concentreert zich op nieuwe acties aan de andere kant van de wereld. John Major, die de gekozen laatste gang van 'de Spar' zo dapper verdedigde, is zelf even uit balans geweest. Shell paait in opvallende advertenties de Duitse automobilist die haar tot de capitulatie dwong. Esso, jarenlang medegebruiker van het opslagvat, houdt zich nog steeds muisstil.

En in de Noordzee wachten 415 olie- en gasplatforms de loop van de gebeurtenissen gelaten af. De meeste nog volop in gebruik als produktieplatform voor gas of olie, enkele al een paar jaar geleden van hun put afgesloten of soms al verlaten. Op de nominatie voor sloop of dumping, verplaatsing of conservering, al naar het de operator uitkomt. De komende twintig jaar moeten er honderden worden verwijderd. Maar de meeste operators hebben weinig haast, zien op tegen de kosten en hebben nog een stille hoop op stijgende olieprijzen, verbeterde winningstechnieken of onverwachte olie- en gasvondsten in de buurt van het overtollige platform.

Wat het brede publiek zich pas door de acties van Greenpeace is gaan realiseren, ziet de oliebranche al jaren op zich afkomen. Veel van de huidige platforms staan op gas- en olievelden waaruit geen rendabele winning meer mogelijk is en er is een groot aantal platforms die ook zelf niet veel verder meer kan. Met een leeftijd van bijna dertig jaar is vaak ook de ontwerpleeftijd bereikt.

In 1966 werd op het West Sole-veld op het Britse deel van het continentale plat het eerste stalen platform van BP geïnstalleerd in water van dertig meter diep. Nederland zag in 1974 gasplatforms op zijn plat verschijnen. Binnen twee jaar had operator Placid ze in produktie. Noorwegen was ons land al een paar jaar voorgegaan. Inmiddels heeft Engeland 205, Nederland 105 en Noorwegen 71 platforms geïnstalleerd, sommige (de betonnen Noorse giganten) in water van meer dan 250 meter diep. Denemarken heeft 31 platforms en Duitsland maar twee omdat het vrijwel geen continentaal plat kreeg toegewezen.

Een reeks van internationale verdragen spreekt zich uit over de bestemming van platforms die overtollig zijn geworden. Doorslaggevend zijn de richtlijnen van de Internationale Maritieme Organisatie (IMO) die - met enige nuancering - bepalen dat in water dat minder diep is dan 75 meter geen resten van platforms mogen achterblijven en dat in dieper water minstens 55 meter water boven de eventuele overblijfselen moet staan. Voor Nederland, Denemarken en Duitsland is daarmee de kous af: alles moet weg. De anderen kunnen hun platforms gedeeltelijk verwijderen.

Minder duidelijkheid is er in de internationale verdragen over het afvoeren van verwijderde platforms naar de diepzee, zoals met de Brent Spar had moeten gebeuren. 'Deep sea disposal', of vertrouwelijker: 'deep dumping', was tot voor kort een reëel bespreekbaar alternatief dat niet in strijd leek met enig verdrag. Voor zover valt na te gaan is het nog in geen enkel geval tot deep dumping gekomen. Wel tot dumping as such. Het in maart 1980 omgeslagen hotelplatform Alexander Kielland en de in juli 1988 ontplofte Piper Alpha zijn gebleven waren ze neerkwamen. De resten van de Piper Alpha zijn omgetrokken. Het tiental andere platforms dat in de loop van de jaren is verwijderd, is in zijn geheel naar de wal gebracht.

De oliemaatschappijen, met Shell, Amoco, Phillips, BP en Conoco als voornaamste spelers op de Noordzee, staan nu voor de structurele verwijdering van overbodige platforms. Een karwei waar ze zwaar tegenop kijken, gezien het voortdurende uitstel van de operaties. In afwachting van de eigen daadkracht worden kostenschattingen gemaakt, alternatieven uitgewerkt en eindeloze seriessymposia bezocht. De laatste was tien dagen geleden in Londen. Het was op de dag nadat bekend werd dat de Spar niet in de golven zou verdwijnen, maar het viel aan niets te merken.

Hoe weinig animo er is om aan de schoonmaak te beginnen en hoe weinig tijdsdruk men kennelijk voelt, bleek al uit de academische, soms lichtelijk landerige titels van de aangekondig spreekbeurten. 'Why abandon at all?' vroeg men zich af bij oliemaatschapij Amerada Hess. 'Mothball, metamorphose or move?', weifelde Lloyds Register. Een deel van de aanwezigen toonde zich nog allerminst overtuigd van de noodzaak overtollige platforms te verwijderen, hoezeer dat ook door de grote schoonmaak in de Golf van Mexico, die in de jaren tachtig op gang kwam, de norm leek te zijn geworden. Bij wijze van gedachtenexperiment liet men de toehoorders (nog geen honderd man in het sousterrain van het Park Lane Hotel) meedenken over de mothball- of de walk-away oplossing.

De meesten ging het te ver. Het krachtigste weerwerk kwam van de, deels nog nog jonge, bedrijven die hopen aan de verwijdering van de platforms een boterham te verdienen. Bedrijven als Reverse Engineering, de Abandonment Consultant Group, European Metal Recycling of het Nederlandse Marcon Engineering. Zij kwamen met analyses en positieve lichtbeelden van de wijze waarop inmiddels al ruim 900 platforms in de Golf van Mexico onderuit waren gehaald. Voor het merendeel met behulp van explosies, mechanisch zagen of moderen waterstraal-technieken (sand jetting). Alles tot volle tevredenheid. Maar de Golfplatforms, noteerden de aanwezigen, stonden in ondiep water, water waar het zelden stormde en waarboven de zon zo te zien nimmer onderging. In de Noordzee is het altijd maar wachten op een gunstig weather-window voor je aan de gang kan.

De reverse engineers lieten zich niet uit het veld slaan. Vol overgave toonden ze de laaste computersimulaties van de uitwerking van moderne explosieven die een platformpoot in één keer konden doorsnijden. Simulaties die door veldwerk op het Engelse strand schitterend waren bevestigd.

Namens het Platform Abandonment Technolgy Consortium werd uitgelegd waaròm explosieven en dergelijke onmisbaar zijn. Het verwijderen van een platform isniet een soort 'reverse launch', het omgekeerde dus van de installering. Het is iets totaal anders. De onderstellen van de stalen platforms, de jackets, zijn vaak zo stevig met heipalen in de zeebodem verankerd dat ze niet meer zomaar met een kraanschip (crane vessel) zijn los te trekken. Zelfs het omvertrekken (toppling) is niet mogelijk zonder een deel van de poten door te snijden. Toppling is in veel gevallen het eenvoudigste en goedkoopste middel om 55 meter water boven een jacket te krijgen.

Toppling is wel het laatste dat Tim Broad van Broad Abandonment Research & Technology met platforms zou wilen doen. Broad, door de symposiumvoorzitter beschreven als een krachtig lateraal denker, ontwerpt futuristische schepen waarmee bestaande platforms zijn op te nemen en te verplaatsen. Maar het werk vor de schepen die Broad bedenkt wordt al door Heerema gedaan en de kans dat er emplooi komt voor zijn papieren tanker met afneembare boeg is dan ook gering.

Dat neemt niet weg dat Broad een interessante optie ter sprake bracht: zou het niet wenselijk zijn de overtollige Noordzee-platforms te verkopen aan jonge offshore-staten die moeilijk nieuwe platforms kunnen betalen. Vietnam? China? Lang niet alle Noordzeeplatforms zijn overtollig omdat ze versleten zijn, maar omdat het veld waarop ze staan, is uitgeput. Trek je ze hier voorzichtig uit de Doggersbank dan kun je ze later weer in de Chinese Zee laten zakken.

Broad werd weer met de voeten naar de grond gehaald door een strenge senior engineer van Lloyds Register dat als classificatiebureau betrokken is bij de keuring en inspectie van platforms. Zeker: er zijn stalen platforms verwijderd en opnieuw in gebruik genomen, de kleine platforms van het Nederlandse Helder en K-13-veld zijn er voorbeelden van. Maar veel jackets gaan onder invloed van vermoeiing, roest, nonchalante overbelasting en genegeerde ontwerpfouten zo snel achteruit dat ze hun ontwerpleeftijd slechts op hun knieën halen. Er komt bij dat ze niet alleen voor een speciale diepte, maar ook voor een bepaald type golfslag (uit een overheersende richting) zijn ontworpen. Hergebruik op grote schaal van jackets is een fictie, met de topsides (de bovenwater liggende dekken) ligt dat veel gunstiger. Lloyds eist een speciale rol bij de demontage van de platforms, want daarbij kunnen onvoorziene krachten optreden.

Speciale aandacht en zorg is er voor de verwijdering van de reusachtige betonnen platforms die in de diepste delen van de Noordzee zijn komen te staan. De platforms zijn, zoals de bedoeling was, diep in de ondergrond gezakt en kunnen alleen omhoog komen als eerst de topsides worden weggehaald en daarna water onder de fundering wordt gespoten. De kans dat ze daarna kantelen is niet denkbeeldig.

Het merendeel van de lezingen ging over de kosten van platformverwijdering (ruwweg 20 miljoen gulden voor een gemiddeld Nederlands platform, ruim het dubbele voor Britse installaties) en de gewenste fijne balans tussen die kosten en de voordelen van mens en mileu. Duidelijk is dat niemand van plan is te platforms tegen elke prijs naar de kant te brengen. Het zou misschien goed zijn, opperde iemand, als de oliemaatschappijen inzagen dat platformverwijdering niet onder de core business viel en dat ze het tot een niet-competitieve bezigheid verklaarden. Dan kon men misschien samenwerken. Een voorstel waarop de meeste aanwezigen zo beleefd zwijgend reageerden dat vanaf de eerste rij te horen was hoe de dagvoorzitter het 'onzin' noemde.

De laatste lezingen waren voor het milieu gereserveerd. Per slot zou dat het eerst de dupe zijn als het tot onzorgvuldigheden kwam. Wat vond de ecoloog dr. Gordon Picken van de universiteit van Aberdeen dat er met de oude platforms moest gebeuren? Picken hield een betoog dat de operators als muziek in de oren klonk. De voornaamste vervuiling van de Noordzee komt van de aanvoer van de grote rivieren, de grootste bedreiger van de visstand is de visserij, wist hij. Wat de offshore-industrie bijdraagt aan chemicaliën die de rivieren al aanvoeren, is zelden meer dan 1 procent van de afzonderlijke belasting. Het hoogst ligt het nog voor kwik en cadmium: 2 procent. Beton en staal zijn nagenoeg inert, er zou niets tegen zijn om de platforms, ontdaan van hun topsides, maar gewoon te laten staan of ze desnoods te topplen om ze als kunstmatig rif in gebruik te nemen. Rigs-to-reefs, zoals de Amerikanen dat ook in de Golf deden. Toppling heeft als bijkomend voordeel dat de jacket dan bovenop de 'drill cuttings' komt te liggen, bovenop de laag boorgruis die vaak licht met boorvloeistof (drilling mud) vervuild is. Picken wees erop dat er bijna evenveel staal in de vorm van pijpleidingen op de Noordzee aanwezig is als in de vorm van platforms en dat niemand van plan is de pijpleidingen weg te halen. Hij legde uit dat de diepzee die de Brent Spar moest ontvangen zeer groot is en nauwelijks uitwisselt met het bovenstaande zeewater - so why worry - en kwam pardoes met zijn eindoordeel: de universiteit van Aberdeen vindt dat de stalen platforms (jackets en topsides) voor sloop naar de wal moeten, dat de betonnen platforms mogen blijven staan en dat de 'cuttings' weer de grond in moeten, terug naar de bron. De zaal stond paf. Topside èn jacket terug! Velen had het terugnemen van alleen de topside al een aardig compromis geleken.

Het was niet het soort symposium dat eindigde met een forumdiscussie of dat een slotresolutie aannam. Wat de Noordzee werkelijk te wachten staat was na afloop nog even onduidelijk als het aan het begin had geleken. Terug in Nederland moet een bezoek aan Heerema in Leiden uitsluitsel geven. Heerema is de pikeur in de branche, 300 van de 415 Noordzeeplatforms zijn door het bedrijf geplaatst, een deel is ook door Heerema en het overgenomen Grootint gebouwd. Al die nieuwe abandonment-bedrijfjes doen een beetje aan gebakken lucht denken, zeggen Heerema-experts Jan Meek en Robert Erdbrink. Platformverwijdering is geen technisch probleem, maar een politiek en een economisch probleem. In de Golf van Mexico is er al veel ervaring mee opgedaan en op de Noordzee zijn ook al zo'n 13 platforms verwijderd. Bovendien vervangt een maatschappij als Shell voortdurend oude topsides door nieuwe.

Heerema ziet gaag alle overtollige platforms in hun geheel terug gaan naar de wal, en dan liefst in de armen van een van de vier reusachtige kraanschepen die het bedrijf in de vaart houdt: de DB101, de Balder, de Hermod en de DB102 die nu vaak werkloos aan de wal liggen. Maar men geeft toe: Nederland en Denemarken hebben makkelijk praten met hun ondiepe water. Voor de Noren en Britten kunnen de verwijderingskosten in een enkel geval onaanvaardbaar hoog worden.

Dat Heerema net zo moeiteloos de orders voor de platformverwijdering in de wacht zal slepen als destijds voor het installeren is twijfelachtig. “Platformverwijdering is een typische low cost marginale business. De operators hebben geen enkele haast en hun voornaamste streven is de operatie tegen zo laag mogelijke kosten, met zekere garanties voor milieu en veiligheid, te doen uitvoeren. Al die bedrijfjes die denken dat er goud verdiend gaat worden, hebben het mis”, aldus Meek en Erdbrink.

Heerema is beducht voor de komst van knabbelaars, bedrijven die de platforms op hun gemak op zee uit elkaar gaan halen en in kleine stukjes naar de wal laten brengen. Die hebben geen dure DB102 nodig. Anderzijds: het werk op zee is riskant, de arbeidsuren zijn er duur. Het heeft voordelen om de platforms juist snel in zo groot mogelijke brokstukken uiteen te nemen. Daarin schuilt de kracht van Heerema. Meek en Erdbrink: “In principe kun je de brokstukken dan afgeven bij gewone sloopbedrijven. Er zijn al voldoende gespecialiseerde bedrijven die de typische milieugevaarlijke componenten als halonen (blusmiddelen), pcb's (koelolie), asbest, olieresten en de opofferings-anodes kunnen verwijderen.” Ook wat de verwijdering betreft van het beruchte LSA (low specific activity), het lichtradioactieve materiaal van natuurlijke herkomst dat zich uit de olie afzet, heeft Nederand geen speciale moeilijkheden. ECN in Petten heeft zich gespecialiseerd in het verwijderen van LSA, dat vervolgens wordt het staal afgevoerd naar Hoogovens.