Geldgêne

Iemand belt op, geen onsympathiek iemand, en vraagt of ik iets voor haar tijdschrift wil schrijven. Het gaat over een onderwerp dat mij interesseert. Maar, zegt zij er beleefd bij, betalen kunnen we niet. En ik, die het schrijven van stukjes als beroep beoefen zoals de loodgieter het gieten, schaam mij als dat bericht mijn eigen enthousiasme aanzienlijk bekoelt.

Om die schaamte gaat het. Heeft Norbert Elias eigenlijk wel voorzien hoe pijnlijk mensen het onderwerp 'geld' zouden gaan vinden? Een hoorbare boer, een open gulp of een verkeerd uitgesproken leenwoord, ik ken mensen die zich voor dat alles niet zouden generen, terwijl ze heel raar gaan doen als het over geld gaat. Niet het algemene geld natuurlijk, de begroting van Ontwikkelingssamenwerking kan hun favoriete onderwerp van gesprek zijn. Maar als de aannemer zegt dat hij die keuken voor elfduizend gulden weer piekfijn maakt, durven zij geen tegenwerping te maken. Het intermenselijke geld, dat is eng.

Er zijn volwassen, ontwikkelde mensen die de rekening in een restaurant nooit nakijken, wetend dat als er een fout in zit, zij er toch niets van durven te zeggen. Die in een taxi als een verblind konijn naar de meter zitten te kijken terwijl de chauffeur een lange omweg aan het maken is. Geldgêne houdt ze in haar greep.

Het is vreemd dat in een samenleving waar zoals bekend alles te koop is (zelfs 'hoer' gaat door voor een normaal beroep) die schaamte zo wijd is verbreid. Het is alsof wij lijden onder de collectieve dwanggedachte dat iedereen eigenlijk alles voor niets zou moeten doen. Is het een communistisch oerinstinct? Of angst om te worden verdacht van miskenning van het Hogere?

Het allermeest gevreesde intermenselijke geld is wel de fooi geworden. 'Fooi' is een scheldwoord, iets dat je je medemens niet mag aandoen.

Of wel?

Van iemand die aan het ontvangende eind heeft gestaan heb ik geleerd dat je nooit moet schromen om een fooi te geven. De meeste redenen om geen fooi te geven deugen niet. Zeker niet het ge-urm over de vraag of iemand misschien beledigd zou zijn. Gierigheid heeft vele gedaanten, en vermomt zich ook graag als respect.

Een andere verkeerde reden om geen fooi te geven is, dat de service bij de prijs zit inbegrepen. Natuurlijk is dat zo, het staat sinds jaar en dag in de wet. Maar zou de dame die zo zorgzaam mijn koffie bijschenkt, of de man die een doos boodschappen aan de deur brengt, niet blij zijn met een fooi? Natuurlijk, het zou niet nodig moeten zijn. Toch zijn er aardigere (hoewel weinig goedkopere) manieren om het onrecht te bestrijden dan geen fooi te geven.

Massa's mensen krijgen helemaal nooit fooien: de dokter, de trambestuurder en de journalist zouden gek opkijken van een piek in hun nietsvermoedende hand. In de paar sectoren waar het wel gebeurt, zijn er maar twee goede redenen om het niet te doen. De eerste is, dat iemand het niet verdiend heeft. Daar hoeven wij geen genade te kennen. De tweede, dat wij er echt geen geld voor hebben.

Inderdaad, een fooi is een heel makkelijke manier om aardig gevonden te worden. En het kost een klein beetje geld. Maar de bezwaren vallen toch eigenlijk weg tegen de voldoening die je op die banale wijze koopt. Ik zou het niet zeggen als ik niet gisteren, driest fooiend in een buitenlands hotel, genoten had van de twee geüniformeerde mannen die mijn reisgenoot en mij op weg hielpen. Zij droegen onze simpele valiesjes naar onze simpele auto, hielden de portieren voor ons open, foeterden een autobus uit die in de weg stond, en maakten zo ons vertrek tot een feestelijke gebeurtenis.

Misschien moet je in het buitenland zijn om zoiets prettigs mee te maken. In Nederland zou je al gauw gaan twijfelen, ja filosoferen: als die mannen nu zo aardig zijn, mogen wij het ze dan kwalijk nemen als zij een andere keer, zonder fooi, geen vinger uitsteken? Ja en nee - maar dat is nodeloos getob, je moet gewoon durven fooien.

Ga anders eens in het buitenland oefenen.