Een vliegtuig levensecht door de kamer

Het straalvliegtuig vertrekt achter uit het zaaltje en vliegt van speaker tot speaker naar voren. Zó oorverdovend dat de grootste Judas Priest-fan ondanks zijn kapotte trommelvliezen gillend in zijn Opel Ascona met dubbele subwoofer zou springen om er vandoor te gaan, desnoods met de raampjes dicht. Maar het moet gezegd: het lawaai klinkt zuiver, dankzij de tien surround-, twee stereo- en een centerspeaker die verscholen in de wanden en het plafond zijn weggewerkt.

Regelmatig melden zich vertegenwoordigers van 's werelds financiële toplaag in het voormalige postkantoor van Tegelen, omgedoopt tot Palazzo Concerto, om daar het nec plus ultra op het gebied van audiovisuele weergave te horen en te zien. Ook zij moeten de bulderkwelling doorstaan alvorens te worden toegelaten tot de andere demonstratiezaaltjes waar zij met welluidende klanken worden verleid tot de aanschaf van een huistheater. De modale liefhebber van goed geluid mag zich voor een meeneemprijs van vijfentwintig mille al theatereigenaar noemen; de geluidsfreak die alleen het beste wil, koopt voor hetzelfde geld één koptelefoon. Real people laten hun jacht of villa in Monte Carlo voor een ton of acht uitrusten met een echt home theatre. De ene helft van dat bedrag is bestemd voor de geluids- en beeldinstallatie en de andere voor het onzichtbaar wegwerken van al die apparatuur.

Palazzo-eigenaar Math Stassen en architect/ontwerper Jack Crebolder hebben de afgelopen zeven jaar tweehonderd home theatres ingericht. Uit privacy-overwegingen willen zij de namen van de kopers niet prijsgeven, maar het gaat volgens hen om zeer rijke mensen, meestal artiesten, die de allerhoogste eisen stellen, een klein kringetje dat zich beweegt tussen München, Milaan, Monte Carlo en Los Angeles. “De absolute bovenlaag van de markt”, verzekert Stassen, “operazangers bijvoorbeeld. Die willen zeker weten dat zij het beste van het beste in huis hebben.” Pavarotti ook? “Nee, dat is ongeveer de enige die we niet tot onze klanten kunnen rekenen.”

Wie plaats genoeg heeft in zijn villa kiest voor een aparte theaterruimte. “Op de wijnavondjes zijn de mensen een beetje uitgekeken,” meent architect Crebolder, “en een avondje theater is in verband met de onveiligheid op straat niet meer erg in trek bij rijke mensen. Dan is het toch mooi als je je relaties kunt uitnodigen om bij jou thuis een opera of een voetbalwedstrijd te zien?”

In het duurste zaaltje van zijn Palazzo, het Professioneel Hometheater, laat Stassen junior zien hoe iemand voor acht ton zijn theater heel behoorlijk kan inrichten. Hij maakt een kast open die vol apparatuur staat, verdeeld in twee kolommen van drie meter hoog: “Wie zoveel uitgeeft voor een installatie wil geen apparaten zien en maar één handeling verrichten om de zaak aan te zetten. Hij draait een contactsleuteltje om en een voor een worden zes versterkers (twee mono en vier stereo), een laserdiscspeler, een videorecorder, een TV-ontvanger en een GVS-processor automatisch aangezet. Die sturen hun signalen naar vijftien onzichtbare geluidsbronnen. De bijbehorende beelden worden door een enorme RGB-projector naar een videoscherm van ettelijke vierkante meters gestuurd. Zo moet de toeschouwer de indruk krijgen dat zijn zetel midden op het podium van de Scala staat, waar juist op dat moment het puikje van het belcanto Rigoletto opvoert of midden op het veld van San Siro, waar hij de bal het laatste zetje kan geven. Afgaand op de geluidskwaliteit krijgt hij inderdaad dat bijzondere gevoel, maar met de weergave van de TV- en videobeelden blijft het behelpen.”

Stassen senior schat dat geluid in tegenstelling tot beeld voor negenennegentig procent getrouw is weer te geven. Zo lang de honderd procent niet wordt gehaald blijft de markt hem fantastische mogelijkheden bieden: “Voor net dat kleine beetje meer geluidskwaliteit hebben de mensen heel veel over. En boven de vijftigduizend gulden gaat het héél hard omhoog. Wat bijvoorbeeld te denken van elektrostatische speakers, enorme gevallen van zestigduizend gulden per stuk? “Er lijkt niets meer aan te verbeteren, maar telkens komt er weer iets nieuws op de markt dat nét even beter is. En zodra de klanten weten dat er iets beters te koop is, zijn ze uitgekeken op de oude spullen. Een wereldje van echte freaks.”

De beste spullen komen uit kleine fabriekjes met hele kleine series. De beste versterkers komen uit Australië, uit het MAS-fabriekje van een Griekse immigrant. En de beste speakers komen uit de werkplaats van Daniel Dehay, een Fransman die naar Zwitserland is uitgeweken. Zijn Reference 3A-speaker is voor Stassen de absolute topklasse van het moment. Om dat te demonstreren zet hij een orgelconcert van Bach op. De lage tonen - fataal voor menige stereotoren - klinken inderdaad perfect en als men de hand voor het gat van de basspeaker houdt, kan men de wind voelen uit het orgel van de Grote Kerk in Maassluis - of is het de adem van Ton Koopman? “Moet je eens nagaan”, zegt Stassen, “en dat voor een speakertje van maar tienduizend gulden.”