Voetreis naar Rome en maar één blaartje

ROME, 4 JULI. “Ik wilde wat afstand scheppen tot de toch vrij zware baan die ik heb gehad”, zegt J. (Jacques) Plaisier. Hij heeft dat letterlijk gedaan, langzaam maar zeker, iedere dag 35 kilometer, in een 1.850 kilometer lange voetreis naar Rome.

“Ik houd helemaal niet van wandelen”, vertelt hij. “Maar in een dolle bui had ik gezegd dat ik dit zou doen. Het leek me wel leuk om een paar weken op stap te zijn.” Op 3 april, twee dagen na zijn pensionering als rector van een school in Hilversum, is de 60-jarige Plaisier vertrokken van de Nederlandse grens, bij Vaals. Gistermorgen stond hij op het Sint Pietersplein met zijn rugzak, bezweet, in korte broek, één klein blaartje op zijn linker kleine teen en met nog steeds dezelfde zolen onder zijn wandelschoenen.

“Je weet niet waar je aan begint”, zegt hij 's middags in zijn hotel, gedoucht, bruinverbrand, af en toe een sigaret opstekend - stoppen met roken is niet gelukt op deze tocht. “Het is fysiek zwaar. In de derde week, in de Eifel, heb ik heel veel last gehad van mijn knie. Gelukkig raak je getraind. Na enige tijd loop je met redelijk gemak 35 kilometer per dag. Maar je moet alles leren. Hoe je goed het gewicht in je rugzak verdeelt bijvoorbeeld. Je schouders en je middel moeten ongeveer evenveel dragen.”

Een van de grootste problemen was de eenzaamheid. Plaisier vertelt dat hij veel vriendelijke mensen heeft ontmoet. Een echtpaar uit Bonn dat hem is blijven bellen op zijn zaktelefoon. Een schipper bij Heilbronn die hem een lift aanbood - afgeslagen. Een hotelhoudster in Chiusa (Klausen), Noord-Italië, die weigerde geld aan te nemen. Een Italiaan in de Chianti-streek waarmee hij, pratend in gebarentaal, een glas wijn heeft staan drinken. “Toch zit je 's avonds vrijwel altijd alleen te eten”, zegt hij. “Italië is geweldig mooi. Trento, Bologna. Maar op een gegeven moment heb je er genoeg van al dat moois in je eentje te bekijken.” Daarom heeft hij het laatste 'stukje', de bijna driehonderd kilometer van Florence naar Rome, doorgelopen. Florence viel al tegen door de hordes toeristen, Siena heeft hij helemaal niet bekeken.

Plaisier heeft de 'Aafjes-route' gevolgd: via de Eifel naar de Rijn, van Heidelberg langs de rivier de Neckar naar Stuttgart, en daarna via Ulm en Innsbruck de Brennerpas over. Maar hoewel de dichter Bertus Aafjes het in zijn Voetreis naar Rome goed weet te verbloemen, heeft hij niet alles gelopen, aldus Plaisier. “Aafjes heeft verteld dat hij in Bologna een droom had, dat hij 's avonds op de piazza Navona in Rome zou staan. Hij ging de volgende dag lopend op weg en kwam een Nederlands stel in een auto tegen die hem de weg vroegen naar Rome. Toen is hij ingestapt en meegereden. Het verbaast me nog altijd dat hij zo lyrisch over Florence heeft geschreven. Misschien is hij er later geweest.”

Het meeste contact met de bevolking heeft Plaisier in Duitsland gehad, ondanks zijn volgens eigen zeggen 'Rudi Carell-Duits'. “De Duitsers zijn erg voorkomend. Vaak liepen ze zelfs met me mee om te kijken of het hotel me wel toeliet, want ik zag er natuurlijk uit als een gek.”

Plaisier heeft ook meer begrip gekregen voor de afwijkende gewoonten van mensen. “De Duitsers zijn bijvoorbeeld ontzettend netjes. Pünktlich. Al die strepen op de weg langs de Rijn, kilometers lang, om voetgangers en fietsers te scheiden. In Oostenrijk zie je het verschil al. En Italië is natuurlijk heel anders. Daar zie je geen stoepen en moet je gebaren maken naar het verkeer omdat ze anders veel te hard voorbij scheuren. Maar ze hebben een manier van leven waar ik jaloers op ben. Niet zo kritisch op elkaar, ze vinden niet zo gauw iets gek. De manier waarop Italianen geïnteresseerd zijn in elkaar, elkaar aanraken, dat boeit me. Hee, jij bent er, betekent dat.”

Alleen het Italiaans was voor Plaisier wel een probleem. “Veel verder dan vertellen dat ik uit Nederland kom, kwam ik niet. Sono venuto dall'Olanda a piedi e vado a Roma, had ik van buiten geleerd. Accidenti, zeiden ze dan.”

Zo'n tocht is alles bij elkaar wel duur. “Je bent negentig dagen onderweg, je moet overnachten, je laat ook je pilsje niet staan. Aan eten, drinken, telefoonkaarten, kaarten van de streek ben ik alles bij elkaar zo'n dertienduizend gulden kwijt geweest. Maar daar klaag ik niet over. Ik kreeg bij mijn afscheid een maand netto salaris, dat heb ik daar maar aan besteed.”

Plaisier heeft ook geld verdiend, niet voor zichzelf. Zijn school, het Comenius college, viert dit najaar haar 75ste verjaardag en heeft een school in het noorden van Zimbabwe geadopteerd. Plaisier heeft zijn voetreis ingebracht als een van de projecten, en iedere kilometer daarvan is gesponsord. Zo heeft hij vijftienduizend gulden opgehaald voor Zimbabwe. “Misschien wordt het wel meer, want sommige mensen dachten dat ik het niet zou halen en zullen nu besluiten nu alsnog wat bij te dragen.”

Plaisier, een voormalige piloot die daarna Nederlands is gaan studeren, het onderwijs in is gegaan en vijftien jaar rector is geweest, ziet zijn voetreis ook als een overwinning. “Toen ik op de via Cassia liep, dacht ik aan de Romeinse legioenen die hier hebben gelopen, op weg naar hun veldtochten in het noorden van Europa. Nu had ik natuurlijk wel veel luxe, de hotels, mijn telefoon, maar toch blijft het voor de moderne, wat decadente mens uit de twintigste eeuw nog steeds mogelijk.”

De terugreis gaat morgen per vliegtuig, en dan wil Plaisier weer gaan zweefvliegen, wat studeren, sporten. Nog een keer een grote tocht? “Neen, neen. Het wandelen heb ik nu wel gezien. Het was een geweldige ervaring die ik niet had willen missen. Maar ik heb wel drie maanden van mijn leven besteed aan deze wandeling. In de rest van mijn leven kan ik drie maanden op een betere manier besteden dan het nog een keer te doen.”