Tocht door het regenwoud van Birma

Van de ruim drieduizend Nederlanders die in Birma-Siam zijn omgekomen, zijn er bijna 900 in Birma en meer dan 2.200 in Siam begraven. Secretaris Dros van het Comité Birma-Siam Spoorweg: “Als mijn gezondheid het toelaat ga ik op 15 augustus die ere-begraafplaatsen bezoeken.”

Midden vorige week. Een warme, echte zomerse dag. Gelukkig is er veel schaduw op de bank van de oude boerderij in Woudenberg, een gemeente op de grens van het Utrechtse boerenland en het Veluwse zandmassief. Terwijl mevrouw de koffie inschenkt, vertelt meneer Dros zijn verhaal. Heel beeldend. Bram Dros neemt me mee in de jungle. Het regenwoud van Birma waar hij vijftig jaar geleden is geweest.

Hij geeft me ogen en een neus. Waarachtig ik ruik waar hij geweest is. Een natte lucht. Ook is er veel te zien. Prachtige orchideeën. Gisteravond zagen we een hele partij vliegende katten. Wat is het stikbenauwd. De lucht is door en door vochtig en op de grond zak ik tot mijn enkels in de modder. Al het water wat nog te drinken zou zijn is met lijkenvocht verpest, vertelt hij.

Voor de oorlog was Bram Dros planter (rubber en koffie) in Nederlandsch-Indië. Nu is hij ver in de tachtig en treedt hij nog op als secretaris van het Comité Birma-Siam Spoorweg, ook al heeft hij kort geleden een lichte beroerte gehad. Destijds werkte hij bijna twee jaar als taludbouwer met duizenden Amerikaanse, Australische, Britse en Nederlandse mede-krijgsgevangenen en een nog veel groter aantal Aziatische dwangarbeiders aan de aanleg en instandhouding van de spoorlijn van Rangoon (Birma) naar Bangkok (Siam/Thailand). Voor de Japanners was dit een belangrijke verbinding tussen de Zuidchinese Zee en India. Het traject (414 kilometer) volgde de dalen van de rivieren de Menam, de Mekong en de Kwai, passeerde de Driepagodenpas (op de grens van Thailand en Birma) en liep langs de Ataran-rivier naar het noorden. Vervolgens boog zij zich naar Thanbyuzayat aan de kust waar de lijn aansloot op het bestaande Birmese spoorwegnet.

In een jaar tijds was de strategische verbinding klaar, de vervoerscapaciteit was vervolgens drieduizend ton per dag. Treinen kwamen uit Malakka, Java en Japan. Voor de aanleg van de lijn werd vier miljoen kubieke meter aarde en drie miljoen kubieke meter rots verplaatst en werden veertien houten bruggen gebouwd. Ruim twaalfduizend man Japanse spoorwegtroepen, eenenzestigduizend geallieerde krijgsgevangenen en tweehonderdduizend Aziatische dwangarbeiders (romoesha's) hebben aan de Birma-Siam-spoorweg gewerkt. Van de Nederlandse krijgsgevangenen is volgens Dros achttien procent (3.098) bezweken, negenentwintig procent van de Engelse en ruim dertig procent van zowel Amerikaanse als Australische gevangenen. De kampen van waaruit de gevangenen moesten werken, waren niet meer dan in het oerwoud opengehakte plekken met tenten, enkele barakken, een keuken en een paar latrines. Vaak sliep men in de open lucht omdat er geen materiaal voor tenten of barakken voorhanden was. “Het ontbrak ons aan alles”, herinnert Dros zich. “We kregen nauwelijks voedsel, hadden geen medicijnen, vrijwel geen kleren, zonder schoenen was je ten dode opgeschreven en we moesten van zonsop- tot zonsondergang werken. Vreselijke ziektes deden zich voor: malaria, hongeroedeem, disenterie, cholera, tyfus, diarree en tropische zweren. Zo vermagerd waren we dat alle mannelijke hitsigheid was verdwenen”...

Van het krijgsgevangenenleven in het oerwoud staat Dros niet alleen bij dat de regen daar niet in millimeters maar in meters (elf meter per jaar) werd gemeten, maar dat er ook heerlijk slangevlees was. “Het smaakte naar paling”. Verder weet hij nog hoe “er voor absoluut honderd procent kameraadschap onder de mannen bestond. Onder de beroerdste omstandigheden viel plotseling alle rottigheid die mensen tegen elkaar uithalen, weg. Ik heb prachtige, grote sterke mannen eronderdoor zien gaan omdat zij vonden dat ze andere moesten helpen”.

Halverwege ons gesprek stroopt Bram Dros plotseling zijn rechter broekspijp op. Er komt een mager beentje te voorschijn met fikse lidtekens van vroegere wonden. “Ik had grote etterende, rottende wonden aan mijn been. Als je de maden kon vermijden, had je kans van overleven. Kregen ze je wel te pakken, dan vraten ze weliswaar de wond schoon, maar ze gingen door en vraten alles weg. De stank van die wonden was ondragelijk. In 1944, nadat ik al aan hevige malaria, hersenmalaria had geleden waar ik totaal malende van werd, moest mijn been worden geopereerd. Ik steunde op twee man terwijl Frans Marijen, de dokter met een eenvoudig houten mesje alles wegsneed en wegkrabde wat geel was geworden. Die twee steunpilaren hielden het niet vol. Zo goor, zo smerig was de stank van de wonden, dat ze het niet uithielden en moesten worden afgewisseld.”

Van de ruim drieduizend Nederlanders die in Birma-Siam zijn omgekomen, zijn er bijna negenhonderd in Birma (Rangoon en Thambyuzayat) en meer dan tweeëntwintighonderd in Siam (Kanchanaburi en Chungkai) begraven. “Als mijn gezondheid het toelaat, ga ik op 15 augustus die ere-begraafplaatsen bezoeken. Lukt dat niet, dan zullen op die dag in ieder geval op alle graven bloemen worden gelegd.”

    • Frits Groeneveld