Idealist

Er wordt gevraagd om rekenschap en bekentenissen over oude politieke overtuigingen. Die van mij zijn er nooit spectaculair genoeg voor geweest. Laten we eens proberen om rekenschap af te leggen van een denkbeeldig politiek verleden. Stel je voor, je bent een weldenkende Duitser in het verkiezingsjaar 1932. Drie belangrijke verkiezingen werden er in dat jaar gehouden, een presidentsverkiezing en twee verkiezingen voor de Reichstag, en wij weten dat in alle drie de uitslag rampzalig was. Onze Duitser mist de gave van helderziendheid die hem zou kunnen doen weten wat wij weten, maar ook hem is het bang te moede. Er zijn zes miljoen werklozen in zijn land. Duitsland is zwaarder getroffen door de gevolgen van de economische crisis van 1929 dan de Westeuropese landen. Het vredesverdrag na de Eerste Wereldoorlog is van een ongekende hardvochtigheid geweest, schril contrast met de gemoedelijke manier waarop Frankrijk in de vorige eeuw na de napoleontische veroveringsoorlogen toch steeds als een gewaardeerd lid van de Europese familie werd behandeld. In de eerste jaren na de oorlog is onze Duitser geteisterd door een krankzinnige geldinflatie die een hele klasse ruïneerde, de middenklasse die de ruggegraat van een democratie zou kunnen zijn.

Een massaslachting zoals de wereld die nog niet gekend had, door niemand gewild. Inflatie waarin het geld soms in een dag tot een miljoenste van zijn waarde werd gereduceerd. Een economische crisis die begon met een mislukt beursspelletje in New York en binnen korte tijd in Europa een ellende veroorzaakte die geen enkel verband had met het werkelijke produktieve vermogen van de economie. Het is genoeg om onze Duitser te doordringen van de volstrekte irrationaliteit van het moderne kapitalisme en hem te doen beseffen dat de burger van een kapitalistische staat op een vulkaan leeft, steeds bedreigd door nieuwe rampen waartegen de politiek zo machteloos staat als tegen een natuurverschijnsel. Dat het zo niet verder kon gaan, dat zag een kind.

De twee radicale stromingen die deze staat bedreigden en de legitimiteit ervan ontkenden, het communisme en het nationaal-socialisme, stemden in hun diagnose in vele opzichten overeen. Niet alleen dat het liberale kapitalisme volgens hen in een permanente crisis verkeerde, ook beroofde het de mens van zijn sociale bindingen en zijn waardigheid. Gereduceerd tot consument en als arbeidskracht geconsumeerde, was deze moderne mens hulpeloos en eenzaam in een samenleving die die naam niet verdiende en slechts een slagveld was van de oorlog van allen tegen allen.

Maar met de oplossing die de ene radicale stroming bood, waren de afgelopen vijftien jaar ervaringen opgedaan die onze weldenkende Duitser de keel dichtknepen. Al in 1918 had de bolsjewistische leider Zinovjev een rede gehouden waarin hij stelde dat zijn beweging negentig procent van de honderd miljoen bewoners van de Sovjet-Unie achter zich zou kunnen krijgen, maar dat de overige tien procent niet overtuigd zou kunnen worden en moest worden uitgeroeid. Het is onwaarschijnlijk dat onze Duitser de tekst van deze rede onder ogen heeft gehad, maar dat in de tussenliggende jaren in Rusland de daad bij het woord was gevoegd was hem niet verborgen gebleven, en ook niet het feit dat de Duitse communisten met geen woord hadden laten blijken dat zij de methodes van hun Russische vrienden afkeurden.

Voor het vreemde ratjetoe van ideologieën van de nazi's heeft onze weldenkende Duitser een zekere minachting. Maar in wat hij het belangrijkste vindt, deelt hij hun mening: een revolutie tegen het mensenverslindende kapitalisme is noodzakelijk, maar het zal een revolutie van rechts moeten zijn, want een marxistische klassestrijd is niet alleen barbaars, maar ook theoretisch ondenkbaar in Duitsland, waar de arbeidersklasse in de maatschappij geïntegreerd is, zozeer zelfs dat zij in de verzorgingsstaat van Weimar, waar de hoge sociale premies de beschikbaarheid van innoverend kapitaal ernstig aantasten, een conservatieve factor is geworden.

Het antisemitisme van de beweging deelt onze Duitser niet, maar hij woont niet in Berlijn of Frankfurt en hij heeft slechts zelden in zijn leven een jood gezien, en het komt hem voor dat de dreiging dat het half miljoen Duitse joden als ontrechte buitenlanders zal worden behandeld, verkieslijker is dan de fysieke uitroeiing van de ontwikkelde burgerij die dreigt bij een communistische machtsovername.

In zijn angstvalligheid heeft hij zeker nog overwogen om op een partij van het midden te stemmen, maar een geloofwaardig midden is in geen velden of wegen te bekennen. De conservatieve rechtse partijen hebben de democratie altijd tegen heug en meug aanvaard en in hun hart beschouwd als een van de vernederingen die het Duitse volk is opgelegd door de overwinnaars van de Eerste Wereldoorlog. De sociaal-democraten, als altijd tweeslachtig en onbetrouwbaar, vormen enerzijds de steunpilaar van de Weimar-republiek, en zijn anderzijds in hun antikapitalistische retoriek vaak niet minder extreem dan de communisten. De ongebonden vrijzinnige intellectuelen overladen de gematigde democratische politici met hoon.

Onze Duitser heeft een afschuw van de gewelddadigheid van de nazistische stormtroepen, maar hij bewondert hun moed en hij beseft dat de geboorte van het nieuwe in alle tijden met barenspijnen gepaard is gegaan. Hij neemt de ideologische hutspot voor lief, omdat hij beseft dat niemand in staat is om de exacte contouren van het nieuwe te schetsen. Hij ziet dat juist de meest idealistische groepen in Duitsland, de jeugdbeweging, de natuurvrienden, de onthechte filosofen, de kant van de nieuwe beweging kiezen. Het is hem bang te moede, dat is zeker waar, en hij heeft ook alle reden om beducht te zijn, maar het is beslist niet alleen angst die onze weldenkende Duitser drijft bij zijn beslissing in het stemhokje in dit fatale verkiezingsjaar, het is ook het verlangen naar de verlossing uit een politieke situatie die ondraaglijk is en de hoop op een nieuwe wereld waarin niet zoals in Rusland de moraal gedecreteerd zal worden door de rancune van de zwakke, maar door de opofferingsgezindheid van de sterke. Hij stemt op Hitler. Nooit zal hij kunnen begrijpen dat later gezegd zal worden dat zijn beslissing door ordinaire mensenhaat is ingegeven, in plaats van door idealisme.