Gevangen in heimweeland

ROTTERDAM. De zaal zat vol Chinese, Turkse, Surinaamse, Marokkaanse en Antilliaanse welzijnswerkers. Het succes straalde van de pakken en de discrete hoofddoeken, maar verder leek het een conferentie als alle andere. Het ging over oudere migranten, over het dilemma van blijven of teruggaan, en vooral ging het over heimwee, het eeuwig knagende heimwee naar vroeger en ver weg.

De wethouder beschreef de oudere immigrant als iemand die leeft in “twee werelden: die waarin wordt gewoond en die waar naar wordt terugverlangd”. Twee Marokkaanse cabaretiers voerden een schets op: “Hoe lang woont u al in Nederland?” “Dertig jaar.” “En hoe lang geleden hebt u de beslissing genomen om terug te gaan?” “Dertig jaar.”

De directeur van een reeks zorginstellingen benaderde het probleem als een nieuwe en interessante markt: “Door allerlei nieuwe invriesmethodes hebben we nu al een dagelijkse keuze uit 144 maaltijden, ook traditionele. We hebben stiltecentra voor alle gezindten. En als je goed personeel uit andere culturen kunt krijgen dat niet al te duur is, en je klanten vragen erom, dan wil je wel.” Toen stond een jonge Marokkaanse vrouw op die zei: “Mijn moeder wil niet teruggaan, en mijn vader wel. Hij heeft daar een huis laten bouwen, maar zij wil bij haar kinderen blijven. Ze hadden dertig jaar een goed huwelijk. Nu praten ze over scheiden.”

Nederland wordt bevolkt door een ander soort immigranten dan Amerika, Canada of Australië. Dat verschil is even fundamenteel als het verschil tussen tijdelijkheid en eeuwigheid. Polen, Italianen, Ieren en Hollanders die naar Amerika verhuisden wisten dat ze dat voorgoed deden. Als ze succes hadden bleven ze. Alleen degenen die mislukten kwamen terug.

De immigratie van Turken, Marokkanen en andere groepen naar Nederland werd door de betrokkenen - en trouwens ook door de Nederlandse overheid - meestal als iets tijdelijks gezien. De Hollanders spraken van 'gastbeiders' en later van 'migranten' - het woord immigratie kan nog steeds bijna niemand in dit land door de strot krijgen - terwijl ook de immigranten hun verblijf voornamelijk beschouwden als een telkens uitgesteld vertrek.

Dat verklaart waarom veel oudere Turken en Marokkanen nog steeds nauwelijks Nederlands spreken. In hun gevoel is de succesvolle migrant iemand die terugkeert. Wie blijft is in de ogen van het thuisfront een verliezer. Maar tegelijk weten de meeste immigranten maar al te goed dat een overstap van de wereld van het wonen naar de wereld van de heimwee pijnlijk en teleurstellend zal zijn: het land is veranderd, onderwijs en medische voorzieningen zijn slecht, uitkeringen bestaan niet.

Of, zoals een Turkse man vanuit de zaal zei: “Wij zijn meer Nederlanders geworden dan we zelf denken of willen geloven”. “Blijven is in mijn familie nooit een bewuste keuze geweest”, zei een Italiaan. “Het is ons overkomen.” “De gedachte aan terugkeer leeft bij iedereen, altijd”, zei de jonge Marokkaanse vrouw later bij de lunch - Rabiaa Bouhalhoul heette ze, en ze werkte als emancipatie-consulente bij de Stichting Buitenlandse Werknemers Rijnmond.

Gevangenen van hun eigen tegenstrijdige motieven, zo worden met name de oudere Turkse en Marokkaanse immigranten in de literatuur aangeduid, en dat blijkt ook uit de cijfers. Per jaar maken gemiddeld een kleine duizend huishoudens gebruik van diverse remigratieregelingen, maar het aantal malen dat het Nederlands Migratieinstituut om advies wordt gevraagd is tienmaal zo hoog. Hetzelfde beeld komt naar voren uit onderzoek: twee van de drie ouderen willen terug, maar slechts één op de tien ziet kans om die wens ook werkelijk te realiseren.

“De meeste aandacht gaat naar de jongeren, maar het grootste drama zit bij de eerste generatie migranten, die nu de ouderdom voelt naderen”, zei de psycholoog Mimmo Marinelli. “Ik zie ze dagelijks voor me: angsten, trillen, hyperventilatie, depressies, migratietrauma's. Een ondoordachte terugkeer naar het thuisland kan daar nog eens een nieuw trauma aan toevoegen.”

Eerst kwamen de mannen hier met het idee om geld te sparen en dan terug te keren. Maar daarvan kwam niet veel omdat de kosten van het levensonderhoud hier hoog waren en de rest moest worden overgemaakt voor het levensonderhoud van de familie. Toen kwam de gezinshereniging om het gevoel van heimwee te verminderen. Daarna liep de Nederlandse economie terug, en toen zat deze generatie immigranten in de fuik. Marinelli: “Sociaal mag het een probleem zijn, maar individueel zijn het stuk voor stuk drama's. Bovendien moeten die mannen dat alleen dragen, want binnen de familie is voor mislukkelingen geen clementie. De enige plek waar dit soort mannen gelijkgezinden ontmoet is de moskee. Daar sluiten ze zich op in het oude normen en waarden, die door hun kinderen totaal niet worden begrepen.”

Opvallend is dat veel vrouwen niet meer terugwillen. Vaak is dat uit angst: als mijn man terugkeert naar zijn dorp zal hij een jongere vrouw willen en mij verstoten, en wat moet ik dan, zonder uitkering of niets. Maar bij veel vrouwen speelt toch ook de wil om bij de kinderen te blijven.

Zo is het ook de moeder van Rabiaa Bouhalhoul vergaan. Ze heeft haar dochters hier zien studeren en dingen zien doen die zij niet voor mogelijk hield. Ze heeft Rabiaa uitgehuwelijkt, weer zien scheiden; ze heeft haar kleindochter grotendeels opgevoed en ze heeft Rabiaa daarna weer zien trouwen met de man van wie ze hield. Ze is trots op wat haar dochters hebben bereikt, op het voorbeeld dat ze uitstralen naar andere Marokkaanse vrouwen, op haar kleindochter. “Dat heeft je moeder toch maar bereikt”, zei ik. “Nee”, zei Rabiaa, “achter alles zat uiteindelijk háár moeder.” Maar ze wil niet meer terug.