Fabrikant van wollen stof vraagt faillissement

TILBURG, 4 JULI. De drie aandeelhouders van de Tilburgse wollenstoffenfabriek Mommers en Co hebben vandaag het faillissement aangevraagd. Daardoor is de werkgelegenheid van de ongeveer 100 medewerkers in gevaar. Adjunct-directeur ir. E. Cooiman van Mommers schrijft de slechte gang van zaken toe aan het slecht draaien dit jaar van de kledingdetailhandel. Daar is sprake van grote voorraadvorming. Verder speelt volgens Cooiman de harde gulden het bedrijf parten.

Het is in de regio het derde bedrijf in de branche dat binnen een maand tijd in de problemen is gekomen. Bij deze drie ondernemingen zijn 350 mensen in dienst. De wolspinnerij Jurgens in Berkel-Enschot met 43 werknemers werd al failliet verklaard omdat de curator geen koper kon vinden. De 200 man personeel van de tapijtfabriek Van Besouw in Goirle wacht waarschijnlijk eveneens ontslag hoewel de curator nog naarstig op zoek is naar een onderneming die dit bedrijf geheel of ten dele zou willen overnemen.

Volgens adjunct-directeur Cooiman van Mommers ging met met het bedrijf juist de goede richting in. In het boekjaar april 1994/april 1995 werd, zegt hij, voor het eerst geen verlies geleden. In 1992 was het verlies nog 4,5 miljoen gulden. “De vooruitzichten voor zomer 1996 zagen er nog behoorlijk goed uit en er lag dan ook een plan om de zaak gedeeltelijk te saneren, onder welke voorwaarde de aandeelhouders de machines wilden kopen, maar de banken zagen het niet meer zitten.” Door de sterk verslechterende situatie in de branche heeft Mommers nu een schuld van omstreeks vijf miljoen gulden. De banken hebben 2,7 miljoen gulden tegoed, de leveranciers van grondstoffen 1 miljoen en de Brabantse Ontwikkelings Maatschappij en de gemeente Tilburg elk ongeveer driekwart miljoen. Kansen voor overname van het bedrijf of delen ervan door andere Westeuropese ondernemingen acht Cooiman klein omdat door de harde gulden het kostenniveau in Nederland hoger is dan in welk ander Europees land.

De vakbonden, aldus Cooiman, hebben doordat ze het dreigende faillissement te vroeg in de publiciteit hebben gebracht de “laatste strohalm doen breken”. Cooiman zegt dat voor de door de bonden geëiste afvloeiingsregeling geen geld is. De bonden hadden 750.000 gulden gewild voor de vakbondsleden onder het personeel; de onderneming kan er volgens Cooiman niet meer dan 250.000 gulden voor uittrekken. Dat geld moet, zegt hij, ook ten goede komen aan de niet-vakbondsleden, want “alle personeelsleden hebben allemaal even hard voor het bedrijf gewerkt.”