Faam van komiek Marty Feldman goeddeels verbleekt

It's Marty resurrected, BBC2, 22.00-22.40u.

Marty Feldman was nog maar 49, toen hij in 1982 stierf aan een hartaanval. De vorige dag had hij de opnamen beëindigd voor Yellowbeard, een minder gelukte film uit de Monty Python-stal, en sindsdien denkt bijna niemand meer aan hem. Hij is “de vergeten man van de Britse comedy”, aldus Jonathan Ross, de presentator van het compilatieprogramma It's Marty resurrected, dat vanavond wordt uitgezonden door BBC2. En het is waar: zelden is er op de televisie nog iets te zien van de man met de maniakale grijns, het geknepen kraaistemmetje, de hoge schouders en het door een schildklieroperatie aangetaste ogenpaar. Terwijl de Python-heren, die met hun surrealistische komedie zijn directe navolgers waren, zich nu kunnen koesteren in een bijkans gekanonniseerd bestaan, is de faam van Marty Feldman goeddeels verbleekt.

Hij werkte jarenlang, samen met zijn compagnon Barry Took, als tekstschrijver. Niemand kwam op het idee hem ook in beeld te laten verschijnen. David Frost, één van zijn werkgevers, zei: “Met die ogen? Dat kun je hem toch niet aandoen?” Pas in 1967 maakte hij zijn tv-debuut in At last the 1948 show, op aandringen van zijn jeugdige co-auteurs John Cleese en Graham Chapman. Vanzelfsprekend viel Feldman onmiddellijk op. En hoewel hij vooral optrad als de onverwacht opduikende onruststoker - onder meer als overlastbezorger in desketch “Ober, er zit een gek op mijn tafel” - vond het publiek de kleine man met het verkreukelde baby face een aandoenlijk verschijnsel. Geen wonder dat de BBC hem in 1968 zijn eigen show gaf.

Marty, voornamelijk geschreven door Feldman en Took, was een onmiddellijk succes. In totaal zijn er twaalf uitzendingen gemaakt, plus een speciale aflevering die in 1969 op het tv-festival van Montreux werd bekroond met een Zilveren Roos. Die maakte hem ook in Nederland tot een bejubeld komiek over wiens talent in de kolommen van het Algemeen Handelsblad zelfs een heuse polemiek uitbrak. Philip van Tijn, de toenmalige tv-redacteur, noemde het “onvoorstelbaar dat iemand Marty niet leuk zou vinden”. Remco Campert rekende hem daarentegen tot “het soort egomaniakale komieken (-) voor wie mensen geen mensen zijn, maar requisieten.”

Inderdaad leunde de serie sterk op de aantrekkingskracht van Marty Feldman als storend element in doordeweekse situaties. Bovendien werd hoe langer hoe meer de versneld afgedraaide opname gehanteerd als hulpmiddel voor sketches die op zichzelf niet grappig genoeg waren. Feldman rook zijn kans op internationaal succes en besloot het voortaan zo weinig mogelijk met woorden te doen. Steeds vaker werden de incidentele tekstbijdragen van John Cleese, Michael Chapman, Michael Palin en Terry Jones ongebruikt geretourneerd, omdat ze te verbaal en te weinig visueel waren. Veel daarvan hebben de heren vervolgens zelf gespeeld in Monty Python's Flying Circus.

Op zijn best was Marty Feldman in de sketches, waarin hij met zijn subversieve slapstick verwarring schiep bij gezagsdragers. Op zijn matigst was hij als het gekke mannetje dat zo koddig in een echtelijk bed kon springen of nette dames de stuipen op het lijf joeg. Van beide uitersten zijn vanavond voorbeelden te zien.