Een brullende leeuw en de geur van bier als merk

Gebrek aan originaliteit kon de Britse onderneming Unicorn Products niet verweten worden. Het was een uniek produkt dat het bedrijf verkocht: dartpijltjes die zich onderscheiden door een sterke geur van bitter bier. De lucht werd niet veroorzaakt door langdurig gebruik in de kroeg, maar was eigenhandig door de producent in de fabriek aangebracht. Dat moest toch een succes zijn, zo meende Unicorn. En de ondernemer kreeg gelijk. De Britse darters vonden het een aantrekkelijk artikel, de pijltjes vlógen over de toonbank. Eigenlijk kende Unicorn maar één probleem: hoe bescherm je zo'n succesvol produkt tegen namaak? Hoe voorkom je dat de concurrentie ook op de markt verschijnt met pijltjes die naar bier ruiken?

Op 31 oktober 1994 kwam de Britse wetgever de pijltjesverkoper te hulp. Op die dag kreeg het Verenigd Koninkrijk een nieuwe merkenwet. De wet was het gevolg van een Europese Harmonisatie Richtlijn uit 1988. Deze richtlijn, die als doel had de merkenwetten van de verschillende EG-lidstaten min of meer op één lijn te brengen, bepaalde onder andere dat alle tekens die vatbaar zijn voor grafische weergave als merk beschermd moeten kunnen worden. En dat betekende voor Engeland, een land dat tot dan slechts een zeer beperkt merkbegrip kende, een flinke uitbreiding van de registratiemogelijkheden.

De pijltjesverkoper zag in de nieuwe wet dé oplossing voor zijn probleem. Immers, het unieke en onderscheidende element van zijn pijltjes, de geur, kon heel goed onder woorden worden gebracht. Zette je die woorden op papier, dan was er natuurlijk sprake van grafische reproductie en stond de deur naar merkbescherming voor de bier-darts wagenwijd open. Op 31 oktober 1994 vroeg Unicorn dan ook registratie aan voor the strong smell of bitter beer als merk voor zijn pijltjes. De aanvrage is thans in behandeling bij het Britse Merkenbureau.

Unicorn was niet de enige die meteen gebruik maakte van de mogelijkheden die de nieuwe regeling bood. Kort na oktober vorig jaar werd in Engeland een groot aantal depots verricht van merken die daarvoor niet voor registratie in aanmerking kwamen. Elke Britse ondernemer die ook maar even meende dat de opvallende kenmerken van zijn produkt in woorden uitgedrukt konden worden, diende een aanvraag in. Zo verrichtte het bedrijf Sumitomo Rubber Industries, een fabrikant van autobanden, meteen een merkdepot voor banden met een bloemengeur: het handelsmerk bestaat uit een floral fragrance/smell as applied to tyres. Voorspelbaar was natuurlijk de aanvrage van The Financial Times. De krant vroeg merkbescherming aan voor haar specifieke roze papier:The trade mark consists of pink paper carrying printed matter. Helemaal bont maakte de Yucatan Liquor Stand het. Om de uniforme inrichting en atmosfeer van haar keten restaurants te monopoliseren, deponeerde Yucatan een volledige beschrijving van het interieur, aangevuld met de soort muziek die meestal in de restaurants te horen was. Dat resulteerde in omschrijvingen als the look and feel of an American dinner with exposed brick work and timber, business cards pinned to the walls, table cloths made of brown wrapping paper, fishing nets en Country and Western Music playing.

Niet alleen de vermeende eigenaren van sfeeromschrijvingen en geuren meldden zich bij het merkenbureau. Ook de ondernemers die bepaalde geluiden gebruikten ter onderscheiding van hun produkten of diensten, trachtten deze klanken als merk te beschermen. Zo zal het Engelse merkenbureau zich binnenkort moeten buigen over de aanvrage van het klankmerk The composion “Air on a G-string” by J.S. Bach als merk voor tabak. Daarnaast werd een depot verricht van een notenbalk, als grafische weergave van een bepaalde reclametune ter onderscheiding van financiële dienstverlening.

Of de aanvragers van de nieuwe merken uiteindelijk ook de merkbescherming krijgen waarop zij allen hopen, is nog niet zeker. In eerste instantie zal het Britse merkenbureau de verschillende aanvragen moeten toetsen. Komen de merken daar doorheen dan is het wachten op een juridische procedure. Want de merkhouders zijn pas echt zeker van hun zaak als de rechter ook bereid blijkt te zijn de gewenste merkbescherming te verlenen.

Maar de aanvragers hebben goede hoop. Want, zo zullen zij denken, wat in de Verenigde Staten kan, moet hier toch ook kunnen. In Amerika hakt men immers al heel lang met dit bijltje. Een blik in de Amerikaanse Merkenregisters laat zien dat Amerika het land van de onbegrensde mogelijkheden is. Zo bezit de filmmaatschappij MGM de rechten op A lion roaring, als merk voor haar filmprodukties, en lukte het een producent van een radioprogramma dat elke uitzending begint met een piepende deur, het merk The sound of a creacking door vast te leggen. Een nauwkeurig omschreven geur is als merk gedeponeerd voor een bepaald soor garen en de Northwestern Bank of Commerce heeft het monopolie op een gecombineerd klank- en beeldmerk voor financiële dienstverlening: The Mark Consists of the Audio and Visual Representation of a Coin Spinning on a Hard Surface. De bank gebruikt het merk vooral in haar TV-commercials.

Zeer recent werd een aanvrage tot merkregistratie ingediend die zelfs in de Verenigde Staten nog wel voor wat discussie zou kunnen zorgen. De fabrikant van Harley Davidson schijnt namelijk het specifieke geronk van haar motoren als merk te willen claimen. Harley Davidson vindt dit geluid zo uniek en herkenbaar, dat hij meent dat het als merk funcitoneert. En dus moet het als zodanig beschermd kunnen worden, aldus Harley Davidson.

En Nederland? Hoe staat het met onze merken? Kennen wij ook zulke uitgebreide registratiemogelijkheden. Dat is nog niet helemaal duidelijk. Nederland, of liever, de Benelux (de Benelux-landen hebben samen één merkenwet) heeft al sinds 1971 een merkenwet die uitgaat van de eis van grafische reproduceerbaarheid. Elk teken dat grafisch weer te geven is komt in principe in aanmerking voor merkregistratie. Wat dat betreft doet het dus niet ter zake dat de Benelux, als één van de laatste EG-lidstaten, haar merkenwet nog niet heeft aangepast aan de genoemde EG-richtlijn. Toch zijn er in het Benelux Merkenregister nauwelijks of geen registraties terug te vinden van klank-, geur of sfeermerken, zoals we die zien in Engeland en Amerika. Blijkbaar zijn de juristen en het bedrijfleven er tot nu toe vanuit gegaan dat dergelijke tekens toch niet onder het begrip 'merk' kunnen vallen. Het is de vraag of dit juist is. Misschien krijgen we binnenkort meer duidelijkheid over de mogelijkheden in de Benelux van bescherming van deze tekens als merk. Na de zomer zal een proces gevoerd worden met als inzet een tweetal klankmerken. Hopelijk kunnen er na dit vonnis niet alleen conclusies getrokken worden over de (on)mogelijkheid van bescherming van klankmerken, maar ook van sfeer- en geurmerken.

    • Bas Kist