Slechte eindexamens

Sinds 1979 heeft De Nederlandsche Bank niet veel meer te vertellen over de Nederlandse economie. In dat jaar besloot het kabinet serieus mee te doen met het toen nieuwe Europese Monetaire Systeem en dus heeft Nederland een zeer vaste wisselkoers met de Duitse mark. Alleen in maart 1983 besloot de regering (tegen het advies van Bankpresident Duisenberg) om de gulden nog één keer twee procent goedkoper te maken. Sindsdien is de vaste band tussen gulden en mark een voorbeeld voor heel Europa.

Tot de Centrale Examencommissie Vaststelling Opgaven (CEVO), het orgaan dat verantwoordelijk is voor de eindexamens in het voortgezet onderwijs, is dit kennelijk nog niet doorgedrongen. Vraag 32 van het VWO-eindexamen economie-I wilde van de leerlingen weten hoe De Nederlandsche Bank ervoor kan zorgen, dat de gulden zoveel duurder of goedkoper wordt dan de Duitse mark dat onze exporterende bedrijven daardoor veel moeilijker of makkelijker kunnen concurreren in het buitenland. In welk jaar en in welk land leven we eigenlijk? Of liever: wanneer hielden de opstellers van deze idiote vraag op met het bestuderen van de feitelijke situatie van onze vaste wisselkoers?

In vraag 26 van het eindexamen van 1995 gaat het om een rekenmodel waarin De Nederlandsche Bank de werkloosheid permanent en effectief kan bestrijden door geheel eenzijdig de Nederlandse rente te verlagen. Als dat zo gemakkelijk zou kunnen, moeten we de hele directie van De Nederlandsche Bank maar wegens incompetentie ontslaan en in haar plaats het CEVO-bestuur benoemen aan het Frederiksplein in Amsterdam. Wat is immers mooier dan èn een permanent lagere rente èn een permanent lagere werkloosheid? Dat Duisenberg, Wellink en de andere directieleden van De Nederlandsche Bank zoiets eenvoudigs niet zien!

Maar serieus: om zulke onzin-vragen van de CEVO te beantwoorden, moeten de leerlingen ongeveer op hun kop gaan staan, uitsluitend omdat de CEVO zich niet realiseert dat Nederland als sinds 1979 niet meer kan 'spelen' met de wisselkoers en de rente. Achter twee van zulke stoffige en misleidende examenopgaven staan - moeten wij helaas aannemen - stoffige en misleidende heren, die dringend de frisse wind van de concurrentie zouden moeten voelen.

Niet alleen het economie-eindexamen, maar ook de wiskunde-opgaven sloegen de plank mis. Vijfendertig docenten uit Rotterdam schreven een brandbrief aan het ministerie van onderwijs over een “schandelijke vertoning”, omdat het eindexamen VWO voor wiskunde-B veel te moeilijk was. Eenzijdig en zonder recht van beroep besliste de CEVO over een correctie in de cijfers, maar zonder een woord van excuus, laat staan een belofte van beterschap.

Zo'n belabberde vertoning - in één jaar twee examens onder de maat - is slecht voor de kwaliteit van het Nederlandse voortgezet onderwijs. Over De Nederlandsche Bank hoeven we niet direct bezorgd te zijn; als daar volgend jaar de sollicitaties binnenkomen, omdat president Duisenberg met pensioen gaat, zal de sollicitatiecommissie, bestaande uit minister Zalm van financiën en thesaurier-generaal Brouwer heus wel aan de kandidaten vragen hoeveel echte economie ze nog hebben geleerd na hun middelbare-schoolexamen.

Veel zorgelijker is de ondermaatse vertoning bij het wiskunde-eindexamen. Ik ben bang dat nu nog meer leerlingen zullen besluiten wiskunde-B maar te laten vallen. Dit jaar al daalde het aantal studenten in de informatica (toegepaste wiskunde) met 60 procent tot niet meer dan 460 eerstejaars-studenten in heel Nederland. Voor de toekomst van onze automatisering en software-industrie is dat aantal veel te laag, en het is een nationaal belang om meer leerlingen aan te moedigen te kiezen voor de exacte vakken. Dat is trouwens ook een eigenbelang voor de leerlingen.

Nieuw onderzoek in de Review of Economics and Statistics laat zien hoe belangrijk goed wiskunde-onderwijs is voor de kansen op de arbeidsmarkt. Onderzoekers van Harvard en MIT vergeleken de salarissen van jonge Amerikaanse afgestudeerden van HBO en Universiteit en berekenden hoeveel verschil het maakte of zij op de middelbare school al dan niet wiskunde in het pakket hadden. In 1978 waren de aanvangssalarissen van jongelui zonder wiskunde nog slechts 5 procent lager dan het gemiddelde salaris van afgestudeerden mèt wiskunde in het pakket; nu is het verschil al meer dan 15 procent. Vrouwen mèt wiskunde in hun pakket verdienen in Amerika op hun vierentwintigste jaar al 25 procent méér dan jonge vrouwen zonder wiskunde. Daaruit volgt wel hoeveel schade de CEVO kan aanrichten met incompetente eindexamens als daardoor minder scholieren kiezen voor wiskunde in het pakket.

Kan staatssecretaris mevrouw Netelenbos van onderwijs bijdragen tot een herstel van kwaliteit in de eindexamens van het voortgezet onderwijs? Onlangs bezocht zij in Rotterdam de Wolfert van Borselenschool en leerde daar over het engelse examensysteem in het voortgezet onderwijs. De 'Wolfert' biedt namelijk tweetalig VWO aan waarbij de leerlingen in vakken als geschiedenis, aardrijkskunde, biologie en muziek les krijgen in de Engelse taal en voor sommige vakken een Engels examen kunnen afleggen. De school bestelt die examens in Engeland en kan dan kiezen uit verschillende aanbieders die met elkaar concurreren in het opstellen van syllabi en jaarlijkse examenbundels.

Toen ik twintig jaar geleden drie jaar les gaf in wis- en natuurkunde in Kenya, mocht onze school ook kiezen uit officiële examenopgaven van verschillende Engelse Examination Boards. (Wij kozen voor de examens van Cambridge). Concurrentie hield de Engelse Examination Boards scherp. Niets belet staatssecretaris Netelenbos ook in Nederland het engelse concurrentie-systeem in te voeren voor de eindexamens van het voortgezet onderwijs. Laat de CEVO maar concurreren met nog één of twee andere instellingen die ook het recht krijgen om beschrijvingen van vakken te maken en passende opgaven voor de examens op te stellen. Keuzevrijheid voor de scholen tussen verschillende aanbieders van examenopgaven zou een welkom signaal zijn. Daarmee zou staatssecretaris Netelenbos serieus reageren op de ernstige misstappen bij het wiskunde-examen en de jaarlijkse onzin bij economie-I.

Bovendien zou een besluit om concurrentie toe te laten in de eindexamens laten zien dat ook een sociaal-democratische bewindsvrouw verstandig genoeg is om voor ieder probleem het meest geëigende middel te kiezen. Soms (maar minder vaak dan veel bewindslieden en hun voorlichters schijnen te denken) is dat een nota of een interview. Veel vaker zou dat een besluit moeten zijn voor meer vrijheid en verantwoordelijkheid bij de betrokkenen. Hogere kwaliteit van de examens door beëindiging van het schadelijke monopolie van het CEVO. Past dat niet prachtig bij een sociaal-liberaal onderwijsbeleid!

    • E.J. Bomhoff