Nog steeds Hollandse elementen in Indonesisch leger

De carrière van generaal RUDINI weerspiegelt de geschiedenis van de Indonesische strijdkrachten. Deel drie van een serie over vijftig jaar Indonesië.

JAKARTA, 3 JULI. Rudini is een Indonesische vier-sterren-generaal buiten dienst. Zo'n jaar of tien geleden verwisselde hij het officiersgroen voor het safari-pak van de hoge burgerfunctionaris. Toch verraadt zijn kaarsrechte houding de beroepsmilitair en dat maakt iets goed van zijn bescheiden lichaamslengte. Rudini behoort nog net tot de 'generatie '45', die de strijd aanbond met de Nederlanders, maar hij lijkt ondanks zijn 65 jaren nog lang niet aan pensioen toe.

De levensloop van deze officier is het verhaal van vijftig jaar Indonesische strijdkrachten. Als zoon van een Javaanse opzichter bij het Nederlands-Indische departement van openbare werken doorliep Rudini de Hollands-Inlandse School. Hij kreeg zijn eerste militaire training van de Japanners en tijdens de revolutie sloot hij zich aan bij een scholierenbataljon. Na de onafhankelijkheid klom hij op van pelotonscommandant tot chef-staf van de landmacht en in 1988 werd hij minister van binnenlandse zaken. Zo gaf hij achtereenvolgens leiding aan de landstrijdkrachten en de staatsbureaucratie, dé machtscentra van het moderne Indonesië.

Toen president Soeharto in 1993 besloot Rudini niet meer op te nemen in zijn kabinet, richtte de generaal b.d. zijn eigen denk-tank op, het Indonesische Instituut voor Strategisch Onderzoek, dat een verdieping bezet van een luxe kantoorflat in Jakarta-Centrum. Daar voert hij nu het bevel over een leger secretaresses.

Rudini raakte gefascineerd door het militaire bedrijf tijdens zijn kinderjaren in Malang, een garnizoensplaats in Oost-Java: “Het Koninklijke Nederlands-Indische Leger (KNIL) hield er regelmatig parades. Als jongen kon ik daar geen genoeg van krijgen. Toen de Japanners kwamen, trad ik toe tot de Seinendan, een jeugdorganisatie waarvan de leden een militaire training kregen. De Japanse oefenmethoden waren niet mis, op een klap meer of minder werd niet gekeken.”

Toen Japan capituleerde, raakte Rudini als scholier-soldaat betrokken bij de guerrilla-oorlog tegen de teruggekeerde Nederlanders. “Na de uitroeping van de onafhankelijkheid op 17 augustus 1945 waren we bereid die te verdedigen, maar we hadden geen leger. Alleen een handjevol voormalige KNIL-officieren en jongeren die door de Japanners waren getraind. Na de proclamatie vielen die Japanse kazernes aan en ontwapenden hun instructeurs.”

Van het front heeft Rudini niet veel gezien. “In Malang ben ik opgepakt door de Inlichtingen- en Veiligheidsgroep van de Koninklijke Landmacht, toen ik vlugschriften uitdeelde. Iemand had me aangegeven. De pamfletten waren al op, dus bewijsmateriaal was er niet. Ik kreeg handboeien om en een pak slaag, maar wegens mijn leeftijd - ik was pas zestien - gaven ze me stadsarrest. Ik mocht Malang niet uit en moest me regelmatig melden.”

De republikeinse strijdkrachten ontstonden uit deze ongeregelde, para-militaire eenheden. Toen Jogyakarta, de voorlopige hoofdstad van de republiek, in 1948 viel en president Soekarno zich met zijn voltallige kabinet overgaf aan de Nederlanders, had volgens Westerse normen ook dit leger moeten capituleren. In plaats daarvan verklaarde commandant Sudirman, half in het Nederlands, half in het Indonesisch, dat zijn soldaten zouden doorvechten, 'met of zonder de regering', zij aan zij met het volk. In die maanden van guerrilla-strijd werd een deel van Java in feite bestuurd door dit volksleger. Rudini: “Toen ontstond wat nu dwifungsi heet, de dubbelrol van de Indonesische strijdkrachten: enerzijds defensie en binnenlandse veiligheid, anderzijds medeverantwoordelijkheid voor staat en samenleving. Tot de dag van vandaag kunnen officieren politieke posten bekleden, mits zij eerst hun militaire functies opgeven.”

Terwijl Rudini's generatie de Nederlanders onder vuur nam, dwongen de jonge Verenigde Naties hen met diplomatieke middelen naar de ronde tafel in Den Haag, waar in 1949 de soevereiniteitsoverdracht werd geregeld. Het slotdocument bood Indonesische jongeren de mogelijkheid toelatingsexamen te doen voor de Koninklijke Militaire Academie in Breda en het Koninklijk Instituut voor de Marine in Den Helder. Rudini: “Ik slaagde ruimschoots voor de test, maar met mijn één meter zestig rolde ik maar net door de keuring.”

De jonge Rudini arriveerde in 1951 in Breda, toen de herinneringen aan de vrijheidsoorlog aan beide kanten nog vers waren. Toch was de ontvangst 'tamelijk goed', zegt Rudini. “Zelfs de instructeurs die in Indonesië hadden gevochten, gedroegen zich professioneel. Ik herinner me de luitenant Schreurs. Hij raakte zwaar gewond in de omgeving van Tuban (Oost-Java), maar trainde ons correct. Een enkele kadet, wiens oudere broer in Indonesië had gediend, liet merken ons liever niet in de buurt te hebben, maar dat was een uitzondering.” Aanvankelijk waren de Indonesische kadetten zelf nogal lichtgeraakt, erkent Rudini. “Tijdens onze inwijding werd het Wilhelmus gezongen. Wij stonden in de houding, maar zongen niet mee. In de loop van die vier jaar vervaagde het onderscheid tussen Nederlandse en Indonesische kadetten en werd de omgang vriendschappelijk. Alleen met Nederlandse soldaten van Molukse afkomst boterde het niet, zacht uitgedrukt. Tijdens een commandotraining in Roosendaal moesten ze ons uit elkaar houden.”

In 1955 keerde de tweede luitenant Rudini terug naar Indonesië. Als pelotonscommandant maakte hij dat jaar de eerste parlementsverkiezingen mee. “Van mijn manschappen stemden sommigen op de nationalisten, anderen op de sociaal-democraten en weer anderen op de communisten. De strijdkrachten waren politiek verdeeld en dat leidde uiteindelijk tot de couppoging van 1 oktober 1965.” Toen de Indonesiërs in 1972 voor de tweede keer een parlement kozen, mochten de militairen niet meestemmen en kregen de strijdkrachten automatisch een aantal zetels in het parlement. “Dat heeft de nationale eenheid bevorderd”, vindt Rudini.

De guerrilla-strijdmacht die de vrijheidsoorlog voerde, werd in de jaren vijftig gereorganiseerd tot een beroepsleger en dat vereiste goed opgeleid kader. De officieren van Rudini's generatie waren de laatsten die in Nederland studeerden. Na het begin van de vijandige houding van Indonesië ten opzichte van Nederland in 1957 werd in het Middenjavaanse Magelang een militaire academie geopend, die in 1960 de eerste lichting afleverde. Een groot aantal officieren liep vervolgcursussen aan Amerikaanse stafopleidingen in Fort Leavenworth en Fort Benning. Een enkeling werd door wijlen president Soekarno naar de Sovjet-Unie en Joegoslavië gestuurd.

Is er in de Strijdkrachten van de Republiek Indonesië (ABRI) nog iets terug te vinden van de Nederlandse militaire cultuur?

Rudini: “Niet veel, maar in de administratieve en de logistieke kant van het bedrijf zien we nog Hollandse elementen. Neem de zogenoemde 'verschietingsrapporten'. Verder zijn de verzorging en de instructiemethodiek nog Nederlands. De uniformen en het management zijn Amerikaans, terwijl de manier waarop ondergeschikten hun meerderen te woord staan uitgesproken Japans is. Onze stijl van leiding geven is authentiek Indonesisch; die dateert uit de guerrilla-tijd. Een commandant wordt geacht zich het lot aan te trekken van de soldatengezinnen. In Breda leerde ik dat officieren niet te familiair omgaan met onderofficieren; ze hadden ginds aparte kantines. De ABRI bevordert juist een amicale omgang.”

De politieke invloed van het leger groeide toen Indonesië in de jaren vijftig werd geplaagd door regionale opstanden. Na de zuiveringen die volgden op de mislukte coup van 1965 werd het bestuur beheerst door militairen. Intussen is het land redelijk stabiel.

Heeft Indonesië nog behoefte aan officieren in de rol van ministers, gouverneurs en regenten?

“Dwifungsi is niet hetzelfde als militairen op bestuursposten. Die dubbelrol zou ook gewaarborgd zijn als de strijdkrachten alleen vertegenwoordigd zouden zijn in het Volkscongres, dat eens in de vijf jaar de hoofdlijnen van het regeringsbeleid uitstippelt en de president kiest.”

Vorige maand diende de minister van binnenlandse zaken samen met de chef-staf van de ABRI een wetsontwerp in dat de militaire fractie in de volksvertegenwoordiging met ingang van 1997 terugbrengt van 100 tot 75, een peloton minder. Het werd met algemene stemmen aangenomen. Rudini: “De laatste tientallen jaren is de burgerzin van de Indonesiërs toegenomen. Een oogje houden op de samenleving vanuit de achterhoede, dat is de hedendaagse taak van de strijdkrachten. De tijd dat ze leiding moesten geven in de voorhoede is voorbij. Toch heeft Indonesië de komende decennia nog behoefte aan leiderschap van het militaire type. Het voordeel is training, een systematische aanpak van problemen en de durf om risico's te nemen. Als de meerderheid van de Indonesiërs meer dan lager onderwijs heeft, zal dat niet meer nodig zijn.”