Makelaar in uitvindingen helpt Willie Wortels op weg

Het Specialistisch InnovatieCentrum voor Uitvindingen staat uitvinders bij op de lange en moeizame weg van idee naar markt. Het doet consumentenonderzoek, zoekt geïnteresseerde bedrijven en stelt licentie-contracten op. “Eigenlijk zijn we makelaar in uitvindingen. We willen de uitvinder uit de Willie-Wortelsfeer halen.” Morgen reikt het centrum zijn jaarlijkse prijs uit.

ROTTERDAM, 3 JULI. Te veel plaksel, doorweekt behang en scheurende vellen, wie kent niet de drama's die zich kunnen voordoen rond het nieuwe behangetje? Om nog maar te zwijgen van de taferelen die zich afspelen als datzelfde behangetje na een jaar of wat weer van de muur af moet. Eind jaren tachtig bedachten Ger Buitink en Roel Korpershoek dé oplossing voor de veelgeplaagde doe-het-zelver: een behang dat droog op de muur wordt aangebracht. Scheve banen en gloeiende stoomapparaten behoren tot het verleden, aangezien het behang er, ook na jaren, droog en aan één stuk weer afgehaald kan worden.

Buitink en Korpershoek, werkzaam in respectievelijk de behangsector en de papierverwerkende industrie, hebben tot nu toe een slordige vijftig mille in hun uitvinding gestopt: er werd patent aangevraagd, een vennootschap onder firma opgericht en een bevriende belastingadviseur richtte een “statuutje” op. Er zijn onderhandelingen gaande met een fabrikant, maar tot nog toe hebben de uitvinders geen cent rendement gezien van hun consumentvriendelijke behang. Buitink: “We hebben het project zelfs ooit een paar jaar stil moeten leggen, omdat ons geld op was. We hadden geen zin om huis of auto te verkopen of een tweede hypotheek te nemen. We zijn geen avonturiers.”

Buitink en Korpershoek behoren tot de circa duizend uitvinders die jaarlijks bij het Specialistisch InnovatieCentrum voor Uitvindingen ID-NL in Rotterdam aankloppen om juridische, commerciële of anderssoortige bijstand bij marktintroductie. Het archief van het centrum bevat zo'n 15.000 uitvindingen, variërend van een cd-pickup (waarmee cd's 'eenvoudig en veilig' uit het doosje kunnen worden gehaald) en een GeoDesign voetbal (die door een uitgekiende vlakverdeling gelijkmatiger stuitert en slijt) tot een nieuw concept voor de indeling van tankers (waardoor bij ongelukken minder olie weg stroomt) en een stormbestendige en waterdichte steiger (zodat bouwvakkers ook bij slecht weer kunnen doorwerken).

Van de duizend ideeën die jaarlijks bij het centrum worden aangemeld, komt slechts 15 procent door de selectie heen. De rest wordt, voorzien van een beoordelingsrapport en een vriendelijk afwijzingsbriefje, teruggestuurd naar de uitvinder. “We selecteren vooral op business-mogelijkheden”, zegt directeur E.J.C. Ottevanger van ID-NL. “Is het idee commercieel interessant?” Zo ja, dan staat het Rotterdamse bureau de uitvinder met raad en daad bij op de lange, moeizame weg van idee naar markt. Tegen vergoeding doet het centrum marktonderzoek, gaat op zoek naar geïnteresseerde producenten, regelt indien gewenst de octrooi-aanvraag, brengt uitvindingen aan de man op buitenlandse beurzen en stelt licentie-contracten op. Bovendien worden positief beoordeelde uitvindingen opgenomen in de nieuwsbrief voor het midden- en kleinbedrijf. “Eigenlijk zijn we makelaar in uitvindingen. Ons doel is de uitvinder uit de Willie-Wortelsfeer te halen”, zegt Ottevanger. Om het creatieve klimaat te verbeteren reikt het centrum, dat een jaaromzet heeft van 3 miljoen gulden (waarvan 1 miljoen subsidie) en twintig werknemers telt, volgende week voor de zesde maal de ID-NL-prijs uit aan een uitvinder.

De meeste uitvinders kunnen wel wat steun gebruiken, volgens Ottevanger. Hun financiële positie is matig tot slecht. De ontwikkelingskosten van een béétje uitvinding bedragen al snel een paar ton en het aanvragen van een octrooi in een aantal landen kost ook nog eens tienduizenden guldens. “Dan dan heb je nog niets verkocht.” Uitvinders zijn commercieel gezien niet erg handig, weet Ottevanger. “Ze zijn niet erg octrooi-minded en verkopen hun idee zo snel mogelijk om geld te zien. Dat betekent wel dat ze geen licenties meer kunnen uitgeven en verdere inkomsten mislopen. Zij staan hun eigen succes in de weg.” Van de circa 20 miljoen reeds verlopen en nog geldende octrooipublikaties waar het Octrooibureau in Rijswijk over waakt, is 70 procent nooit verder gekomen dan de tekentafel, schat Ottevanger. En van de 102.000 thans in Nederland geldende patenten is zo'n 95 procent ook nog eens in buitenlandse handen.

Ook uitvindingen op bestelling zijn mogelijk bij het Specialistisch Innovatiecentrum voor Uitvindingen ID-NL. Voor 37.500 gulden levert de Brainbank van het centrum binnen twaalf weken een oplossing aan bedrijven die worstelen met een taai probleem. “Dat lukt in 90 procent van de gevallen”, aldus Ottevanger. “We gaan eerst in ons bestand en in de octrooiliteratuur kijken of de oplossing al bestaat. Zo mogelijk kopen we dan een licentie voor het bedrijf. De Britse Octrooiraad heeft eens becijferd dat er jaarlijks 8 miljard pond wordt uitgegeven aan 'uitvindingen' die al blijken te bestaan. Bestaat de oplossing nog niet, dan organiseren we brainstorm-sessies met een aantal uitvinders en bieden het bedrijf vervolgens een oplossing aan.”

Ottevanger heeft zo zijn eigen gedachten heeft over de eerder deze maand gepubliceerde Technologie Nota waarmee het kabinet het onderzoek wil stimuleren. “Er is waanzinnig veel kennis in Nederland. Het knelpunt ligt niet bij de hoeveelheid kennis, maar de toepassing ervan.”

De overheid legt te veel nadruk op high tech uitvindingen, vindt Ottevanger. “Maar het midden- en kleinbedrijf kan juist heel veel geld verdienen in het grote schemergebied tussen het Gullit-petje en HDTV, tussen de pure handel en de hoogwaardige technologie. Dat terrein laten we te veel liggen.”