In de harde mannenwereld van de Afghaanse nacht; Vertroeteld door de Talibaan

Aan alle kanten om mij heen klinkt een oorverdovend gesnurk van de Talibaan, de Afghaanse islamitische studenten die ernaar streven gewapenderhand de orde te herstellen in hun door oorlog en corruptie geteisterde land. Het is alsof de mannen met hun imposante baarden via het geronk door mond en neusgaten hun ervaringen aan het front proberen te verwerken. Een enkeling stoot in zijn slaap zelfs fluitende geluiden uit die doen denken aan zojuist afgevuurde raketten op het slagveld.

We liggen dicht opeengepakt op de vloer van een dorpsherberg in Maidan Shar, een plaatsje 30 kilometer van de hoofdstad Kabul, niet ver van de frontlijn tussen de regeringstroepen en de Talibaan. Bedden of matrassen zijn er niet, dekens evenmin. De studentenstrijders, meest boerenjongens die een beetje onderwijs in de Koran hebben genoten, trekken, naar oud gebruik, eenvoudig hun patu over zich heen. Deze lap vervult een onmisbare rol in het leven van elke Afghaan: hij dient als jas, deken, zakdoek, sjaal en gebedskleed tegelijk.

Als ik de linkerkant van mijn lichaam licht beweeg, por ik ongewild in de zij van een oude wiskundeleraar, die op weg is naar Kabul. Buig ik een fractie naar rechts, dan duw ik onmiddellijk in de stevige rug van een student. Aan mijn voeteneind is de situatie minder overzichtelijk. Hier voeren naar schatting zes paar voeten uit verschillende richtingen een bij tijd en wijlen verbitterde strijd om een minuscuul stukje grond.

Roerloos blijven liggen, luidt dus het parool, maar dat is geen eenvoudige opgave, omdat de vloer van de herberg gloeiend heet is. Alle warmte van de keuken wordt in de meeste Afghaanse herbergen 's winters consequent onder de grond geleid. Op zichzelf is dat een schitterende uitvinding in een land waar hout kostbaar is en elektriciteit een grote zeldzaamheid. Komende van buiten, waar het beurtelings sneeuwt en regent, is het een verademing om op de grond bij te kunnen warmen. Maar wie er de hele nacht op moet doorbrengen, krijgt steeds meer het gevoel op een gloeiende bakplaat te liggen.

Nadat buiten met denderend lawaai een tank van de Talibaan is gepasseerd op de terugweg van het front, dwalen mijn gedachten af naar de voorgaande nachten in Afghanistan. Een paar dagen eerder arriveerde ik samen met mijn Talib-gids na een 16 uur lange busreis over een onbeschrijflijk slechte weg rond middernacht in Ghazni, een plaats die duizend jaar geleden de hoofdstad vormde van een machtig rijk dat zich tot diep in Iran en India uitstrekte maar tegenwoordig niet meer is dan een provinciaal gat.

De straat bij de niet gemarkeerde bushalte werd slechts verlicht door de maan. Het was ijskoud en er stond een gure wind. Met achterwerken die nog stijf waren van het eindeloze gehobbel spoedden we ons onverwijld naar de dichtstbijzijnde herberg, die herinneringen opriep aan de schilderijen van Pieter Breughel.

“Heeft u een kamer”, informeerde mijn gids Mohammed bij de waard, die ons na luid kloppen op de deur slaapdronken had opengedaan. “Zeker, meneer”, luidde het antwoord en hij ging ons, gewapend met een olielamp, voor door een nauwe gang. Dan stootte hij een deurtje open en toonde ons een ijskoud vertrekje van ongeveer twee bij twee meter, dat zich vooral onderscheidde door het feit dat er zich helemaal niets in bevond: geen bed, geen deken, geen kussen, geen gordijnen, alleen een harde, koude vloer.

Terwijl Mohammed nog even de andere 'hotels' van Ghazni afliep op zoek naar iets comfortabelers, vroeg ik de waard waar ik het toilet kon vinden. “De trap af en dan op de binnenplaats”, wees hij. In het maanlicht daalde ik voorzichtig de ongelijke treden af en speurde tevergeefs naar een deurtje of een hokje waar ik terecht kon. Nog net op tijd merkte ik dat ik niet verder hoefde omdat ik me reeds midden in de WC bevond: overal om mij heen lagen half bevroren uitwerpselen.

Daarop keerde Mohammed terug met de mededeling dat het beste hotel ter stede nog een kamer had met twee oude krakende bedden en zelfs dekens, al zaten er gaten in en waren ze in geen jaren gewassen. Snel verhuisden we naar dit veelbelovende oord, waar bij aankomst nog enkele droge broodkorsten van vorige gasten op een van de bedden lagen. De nieuwe kamer bleek echter zelfs over een kacheltje te beschikken. “Als u de kachel aandoet, kost het wel meer”, sprak de eigenaar met een bedenkelijk gezicht. De totale kosten van de overnachting voor twee personen bleken omgerekend neer te komen op zo'n twee gulden.

In afwezigheid van elektriciteit en vertier, beginnen en eindigen Afghaanse nachten doorgaans vroeg. Bij het krieken van de dag staat elke rechtgeaarde Afghaan op voor het ochtendgebed. Mijn energieke en zeer vrome begeleider was dan ook ondanks de korte nacht in Ghazni weer vroeg uit de veren. Toen ik hem na zijn terugkomst uit de moskee vertelde dat ik er de voorkeur aan gaf nog even te blijven liggen, was Mohammed, die steeds zijn uiterste best deed om het me naar de zin te maken, in het geheel niet uit het veld geslagen. “Dan ga ik intussen fijn de Heilige Koran bestuderen”, riep hij opgewekt.

In dit hotel, ontdekte ik de volgende morgen, was er wel een heus toilet. Een kamertje met een gat in de grond met een bak eronder, maar eerdere bezoekers leken zich nu juist tot het uiterste te hebben ingespannen om het gat te vermijden, zodat de vloer van het hele kamertje tot in de verste hoeken bezaaid lag met kwalijk geurende hopen. Met enige heimwee dacht ik terug aan het openluchttoilet van de concurrentie.

Dit soort ongerief wordt echter weer te niet gedaan door de overweldigende gastvrijheid van de Afghanen, zo had ik tijdens mijn eerste nacht met de Talibaan even over de grens met Pakistan in het plaatsje Spin Boldak al ervaren. Ook al keken de religieuze studenten vreemd op van een aantal Westerse gebruiken, zoals het feit dat veel mannen zich met een scheerapparaat scheren en staande plegen te urineren (zelf doen ze dat hurkend) om nog maar te zwijgen van het feit dat ze niet meedoen aan hun langdurige gebeden tot Allah, ze gaven de gast hoe dan ook met de grootste vanzelfsprekendheid de lekkerste stukjes vlees en groente. Beleefd hielden ze zich in tot de gast zijn maaltijd had beëindigd, om daarna als uitgehongerde wolven binnen een paar minuten alle schalen tot op het laatste schilfertje leeg te eten. Ook mocht de gast als eerste met de enige lepel enkele scheppen yoghurt nemen, waarna de lepel (de enige ter plaatse) van mond tot mond rondging. Suiker in de thee kreeg ik met behulp van een tot schepje gevormd bankbiljet.

Nimmer krijgt de mannelijke buitenlandse bezoeker tijdens Afghaanse nachten vrouwen te zien. Zorgvuldig worden die uit het zicht gehouden. In de herbergen zijn er speciale vertrekken voor vrouwen en reizende vrouwen worden geacht een alles bedekkende burqa te dragen. De bezoeker leeft in een mannenwereld. Ook de Afghaanse mannen zelf zien, buiten hun eigen familie, zelfs bij daglicht zelden een vrouw, laat staan bij nacht.

Nadat de Talibaan van Spin Boldak een vergeefse poging hadden gedaan mij tot de islam te bekeren, bleven ze precies even gastvrij als tevoren, zoals hun oeroude ongeschreven wetten dat voorschrijven. Ze boden mij voor de nacht de meest comfortabele bank van het voormalige schoolgebouw waarin ze bivakkeerden, verzamelden enkele dekens en stopten mij vervolgens met zijn allen zorgzaam in. Stil verlieten ze daarna het vertrek.

Tijdens mijn overpeinzingen over de Afghaanse gastvrijheid op de hete vloer van de herberg in Maidan Shar ben ik ongemerkt toch even ingesluimerd. De volgende morgen sta ik met een stijve rug vroeg op. Buiten ligt verse sneeuw en achter de witte bergen gloort het eerste paarsige licht van de nieuwe dag. Een lange kamelenkaravaan trekt door het barre, besneeuwde landschap naar Kabul. Er is weer een Afghaanse nacht voorbij.