Groene senator 'knoopt alles aan elkaar'

Marten Bierman, planoloog en oud-lijsttrekker van de Groenen, is sinds drie weken lid van de Eerste Kamer. Met hem is een combinatie van de Groenen en een aantal regionale partijen doorgedrongen tot de nationale politiek. En dat zal de Eerste Kamer merken. Minister, hoogleraar of directeur van de spoorwegen is Bierman nooit geworden, tot verbazing van sommigen. Bierman over zichzelf: “Ik behoor tot de weinige Nederlanders van wie ze zullen zeggen: het was nog zo gek niet wat hij bedacht”.

De lastige Amsterdammer is nu senator. Daaruit mogen geen verkeerde conclusies worden getrokken. Gedecideerd waarschuwt hij: “Nederland komt niet van me af.”

M. (Marten) Bierman (55) vindt 'generalist' voor zichzelf wel een juiste typering. De bouwkundige, planoloog, actievoerder, wereldverbeteraar uit Amsterdam maakt sinds 13 juni deel uit van de Eerste Kamer. Wat hem betreft had dat gerust vijftien jaar eerder mogen gebeuren, maar blijkbaar was de tijd er niet rijp voor. De nieuwe status went snel, twee weken na de beëdiging spreekt hij al over “collega Korthals Altes”.

Anders dan in 1986 toen hij lijsttrekker werd voor De Groenen, vertegenwoordigt Bierman deze keer niet alleen deze herkenbare maar weinig populaire milieupartij, maar ook nog een reeks regionale groeperingen verenigd in het Platform Onafhankelijke Groeperingen, zoals de Onafhankelijke Partij Drenthe, de Partij Nieuw Gelderland, Partij Nieuw Limburg, Delta Anders (Zeeland), de Federatie Gemeentelijke Groeperingen Twente, enzovoort. Deze overwegend op milieuzaken gerichte partijen hebben nu voor het eerst een stem in het parlement, doordat 'hun' provinciale Statenleden een stem uitbrachten op de Amsterdamse bouwkundige.

Voor het uitdragen van 'enge opvattingen', zo daar al op zou worden aangedrongen, zal Bierman zich niet lenen. “Twente voor de Twentenaren, daar heb ik helemaal geen boodschap aan. Voor mij is wel duidelijk dat het regionale niveau het nog mogelijk maakt de afstand tussen burgers en bestuur te overbruggen. Bij allerlei gemeentelijke herindelingsplannen zullen we ons opnieuw moeten afvragen of ze wel nodig zijn. Maar van tevoren heb ik duidelijk gemaakt voor welke zaken ik me in de Eerste Kamer zal inspannen, in de regio weet men wat men kan verwachten.”

Met wisselend succes heeft Bierman in de afgelopen 25 jaar strijd gevoerd tegen uiteenlopende grootschalige plannen als de Amsterdamse metro, de bouw van een zwavelkoolstoffabriek (Progil), de gedeeltelijke inpoldering van het IJsselmeer (Markerwaard, inclusief de tweede nationale luchthaven), tegen de bouw van groeisteden als Almere, of stadsuitbreidingen als de Bijlmermeer, de aanleg van steeds meer en bredere autowegen (Amelisweerd).

In de tijd van de actiegroep 'De lastige Amsterdammer' bedacht hij een plan voor een tramlijnstelsel door en over de grachten. “Het zag er prachtig uit, de tramstellen scheerden heel fraai over het water. Maar voor zover ik weet is er nog niets van gerealiseerd”, stelt de specialist volkshuisvesting en Biermans jaargenoot in Delft, prof.dr. H. Priemus, vast. In de strijd tegen de Markerwaard richtte Bierman begin jaren zeventig de Vereniging tot behoud van het IJsselmeer (nu kortweg IJsselmeervereniging) op. Bijna 20 jaar later, eind 1990, hakte minister van verkeer en waterstaat Maij-Weggen de knoop door: het plan was van de baan. “De afloop van dat gevecht heeft mijn geloof in de maakbaarheid van de samenleving voor altijd bevestigd”, zegt Bierman.

De ooit door hem opgerichte milieubeweging 'GRAS' sloeg helemaal niet aan. Geen reden voor twijfel, het milieu zal voor Bierman altijd de eerste keus blijven. “Ons huis aan het Singel heeft sinds kort een zonnecollector. Dat geeft een heel goed gevoel, eindelijk los van fossiele brandstoffen.”

Bij het 150-jarig bestaan van de Nederlandse Spoorwegen in 1989 presenteerde Bierman een toekomstscenario voor de trein. Voor zover bekend was het de eerste keer dat de sta-trein, de luxe trein voor de zakenman, de chrèche-trein en de Efteling-trein vol elfen en kabouters werden beschreven. “Als je instapt ben je er eigenlijk al”, luidde Biermans motto. Volgens dit scenario moesten de Spoorwegen weer overgaan op vier klassen, niet om het verschil in standen te onderstrepen maar uitsluitend wegens het verschil in reisstijl. En bij dat gevarieerde aanbod hoort volgens de bedenker “absoluut” een aangepaste ritprijs. De sta-trein is er inmiddels zo'n beetje, maar een reis daarmee kost nog evenveel als anders en dat vindt Bierman onzakelijk, onlogisch en onredelijk bovendien.

Zeker niet tot ieders vreugde voerde hij op 2 juni van dit jaar het woord op een besloten bijeenkomst van de Tweede-Kamercommissies voor Ruimtelijke Ordening en van Verkeer en Waterstaat. De Kamerleden wilden op het eiland Pampus van de tegenstanders vernemen wat er zo verkeerd is aan de uitbreidingsplannen van Amsterdam (IJburg, IJmeer). “Sommige bestuursleden wilden Marten er liever niet bij hebben. Hij zou de hele discussie dan weer te veel naar zich toe trekken. Dat is inderdaad gebeurd. Maar hij weet het allemaal ook zo goed, er is geen speld tussen te krijgen”, zegt Ada Oosterman van de IJsselmeervereniging, uitgesproken tegenstander van de uitbreidingsplannen. Na afloop lieten enkele Kamerleden haar weten het betoog van Bierman “boeiend maar onrealistisch te vinden”, vooral wegens het dwingende karakter van het wonen in 'verdichte' of 'compacte' steden.

Bierman trekt de grens: “Tot hier en niet verder”, maar zegt altijd meer dan “nee”. Zijn aanpak bij alle acties kenmerkt zich volgens voor- en tegenstanders door “soms wel erg drammerige betogen”, maar er blijkt steeds een alternatief plan op tafel te liggen. Bierman noemt dit de tactiek van de “verzoenende scenario's”. Zijn standpunt is dat er niet meer mag worden gebouwd in de open ruimtes die Nederland nog heeft. Vervolgens rekent hij voor hoeveel ruimte er nog is in de steden, huizen en kantoren die nu niet worden benut. “Ons land is vol leegte”, luidt zijn opvatting.

De vastbesloten senator zal de eerste de beste gelegenheid aangrijpen om de discussie over de Betuwelijn nog eens gedegen over te doen. Dat zal naar verwachting pas in 1996 zijn. Heropening van het debat kan, meent Bierman, want heeft de liberale fractievoorzitter Korthals Altes niet gezegd dat “we het werk van de Tweede Kamer níet overdoen als het zorgvuldig is gebeurd?”. Van zorgvuldigheid is bij de Betuwelijn volgens Bierman echt geen sprake: “Wat er nu ligt is toch maar een deel van het plan? Het houdt hier niet mee op, nu ja zeggen betekent dat we nog enkele forse rekeningen zullen moeten betalen. Hierna komt er immers nog een noord- en een zuidtak. Ik wil het totaal kunnen beoordelen. Wat we nu doen is een paar tunnels aanleggen onder een serie boomgaarden. Waarom niet eens iets gemaakt dat echt de moeite waard is?”

Dus gaat hij er ruim de tijd voor nemen: “Ik zal de collega's in de Eerste Kamer er van zien te overtuigen dat we helemaal geen haast hebben, dat er geen enkele reden is om in paniek te raken.” Dan zal hij ook weer een volledig uitgewerkt alternatief op tafel leggen, gebaseerd op het gebruik van reeds bestaande infrastructuur als waterwegen en onder meer in Brabant en Vlaanderen gelegen spoorlijnen. Nederland zou toch veel beter af zijn met tunnels onder de stadscentra van Breda, Tilburg en Eindhoven? “Dan maken we pas iets moois, iets dat allerwegen bewondering af zal dwingen.” Vervolgens schetst hij de mogelijkheden om in het railvervoer over te stappen op het stapelen van containers; per wagon twee, drie op elkaar. “In Amerika gebeurt dat al. Nou ja, hier moeten we dan eerst even de portalen (waar de bovenleiding in is opgehangen, red.) vervangen.”

“Marten is zeer visionair, hij knoopt alles aan elkaar, trekt lijnen door en kan dat ook systematisch analyseren. Hij heeft bovendien een goede neus voor trends”, zegt Pieternel Hol, tegenwoordig hoofd van de afdeling beleid en bestuur van de gemeente Dordrecht. Ze werkte jarenlang met hem samen op het Interuniversitair Instituut voor Sociaal Wetenschappelijk Onderzoek, nu omgedoopt in Instituut voor Maatschappijwetenschappen. Van daaruit leverden ze hun bijdrage aan het voor Nederland belangrijke structuuronderzoek Bouwnijverheid, dat na enkele jaren antwoord gaf op de vraag: “Waarheen met de bouw?”. In dit omvangrijke onderzoek, gepubliceerd bij de Staatsdrukkerij, werd samengewerkt met vertegenwoordigers van de bouwwereld, overheid en wetenschap. Op het Amsterdamse instituut was ook de redactie van het inmiddels opgeheven tweemaandelijkse tijdschrift PLAN dat vaak spraakmakende artikelen bracht over planologie, ruimtelijke ordening, architectuur in binnen- en buitenland.

Hol: “Een heel gedreven man, als Marten iets vindt dan is dat ook voor honderd procent. Dat er bij het uitwerken van zijn plannen niet steeds wetenschappelijke methodieken werden gevolgd, is waar. Volgens mij is dat een pluspunt. Met een wetenschappelijke enquête haal je wel iets boven, maar lang niet alles. Marten is beide: politicus en wetenschapper. Altijd strategisch denkend. In mijn herinnering dag en nacht bezig met zijn missie.” En die missie is - kort samengevat - dat het snel anders moet in Nederland en in de wereld. Alle plannen moeten eigenlijk worden getoetst aan het uitgangspunt dat het milieu er geen schade van mag ondervinden. Vroegere medewerkers noemen hem recht-toe-recht-aan, misschien wel eens wat te veel. Zijn vroegere secretaresse Joke Geuens-Schipper veronderstelt dat het mensen afstoot, niet iedereen wil iemand in zijn buurt die “alles” weet. Ligt daar de oorzaak dat haar baas nooit minister, hoogleraar of directeur van de spoorwegen is geworden, vraagt ze zich af. “We waren daar wel verbaasd over.” Bierman zegt zichzelf regelmatig voor te houden dat het antwoord bevestigdend zal moeten zijn wanneer de vraag wordt gesteld: “Was jij daarbij? En heb je aangegeven dat het ook anders kon?”

Yap Hong Seng, voormalig directeur van de Rijks Planologische Dienst en eind jaren tachtig ook medewerker van PLAN aarzelt bij de vraag naar een oordeel over Biermans opvattingen en plannen of over de persoon zelf. “Nou kort dan. Ik vind zijn plannen vooral naïef.” En een schets van de man zou wat hem betreft moeten gaan over het “fenomeen ijdeltuit”. Meer woorden wil Yap er niet aan besteden. “Ja, Marten is wel ijdel. Hij zal zichzelf niet weggooien. Zijn zwakte is dat hij grote ideeën dropt en de anderen vervolgens met de problemen van de uitvoering laat zitten”, zegt vroegere collega Heerko Dijksterhuis, thans voorlichter bij de NOVIB, de organisatie voor ontwikkelingssamenwerking. Hij moest als jong medewerker bij het SISWO eens voor een vraaggesprek naar Bierman. “Onderweg had ik alle zaken die aan de orde moesten komen zorgvuldig doorgenomen. Maar voor ik de eerste vraag kon stellen overhandigde Marten mij al een volledig uitgewerkt vraaggesprek. Alle vragen keurig ingetypt. Ter plekke heb ik nog wat aanvullingen kunnen bedenken zodat het nog een gesprek werd”, aldus Dijksterhuis. In de jaren die volgden groeide zijn waardering voor Bierman. “Hij speelt het toch maar klaar om steeds weer een rol van betekenis te spelen als het gaat over de ruimtelijke ordening in Nederland. Hij is een luis in de pels van de plannenmakers.”

Priemus vindt Bierman iets hebben van een standwerker: “Dat is niet negatief bedoeld. Hij zet de zaak op scherp. Marten staat langs de hoofdweg en roept ons allen toe dat we het niet goed zien. Hij dwingt ons nog eens na te denken, de zaak anders te bekijken.” Volgens de Delftse hoogleraar zijn de plannen van de 'nonconformist' Bierman niet zelden een 'karikatuur'. Ook al omdat het uitwerken “niet zijn sterkste kant is”. Bovendien lijkt Bierman consequent niet te letten op zoiets belangrijks als maatschappelijke acceptatie. “Je moet zijn ideeën als het even kan verwerken in je plannen, dan wordt het iets moois. In de volkshuisvesting is men toch anders gaan werken met de vrije ruimte. Hij heeft daar zijn bijdrage aan geleverd. Het is een man om zuinig op te zijn”, aldus Priemus.

Bierman toont geen twijfel: “Ik behoor tot de weinige Nederlanders waarvan ze zullen zeggen: 'het was nog zo gek niet wat hij bedacht'. Eerst valt altijd iedereen over me heen. Wat ik zeg of voorstel heeft een bepaalde incubatietijd. Die is wel steeds korter geworden.”