Gekonkel, gezalf en getier in de kantoren van 'de John's'; Lagerhuisleden onder zware druk

De 329 Conservatieve Lagerhuisleden moeten morgen kiezen onder wiens leiding ze de verkiezingen willen ingaan. Onder premier John Major? Of onder de ex-minister voor Wales, John Redwood. Over de lobby-guerilla en het spervuur van de beide John's in het weekend.

LONDEN, 31 JULI. De vergaderzalen, de comitékamers, de wandelgangen van Westminster waren gisteren verlaten. Maar op een steenworp afstand ging het gekonkel en het geïntrigeer het hele weekend verder.

In de hoofdkwartieren van de beide kandidaten kwam aan het gezalf en gefleem, aan het gedreig en getier in de veertig telefoonhoorns geen einde. Ook de veertien faxen bleven maar oproepen en verklaringen spuien, alsof ze de wankelmoedigen wilden bedelven onder hun elektronische woordenbrei.

Aan de buitenkant van de twee commandobases van waaruit de verkiezingsstrijd geleid wordt, is van de manische activiteit binnenskamers niks te merken. Niet bij Majors hoofdkwartier in Cowley Street waar de 'veroveraar van Damascus' T.E. Lawrence - Lawrence of Arabia - nog gewoond heeft. Niet bij Redwoods zenuwcentrum aan Buckingham Gate, dat pal tegenover Westminster Chapel ligt. Er staan wel stapels dranghekken tegen de muren. Maar er is niemand die ze kunnen tegenhouden, zelfs geen verdwaalde toeristen. Alleen een paar verveelde fotografen wachten op de foto die hen in één klap beroemd en welvarend maakt. Of omgekeerd.

Wie de lichtblauwe deur van Majors bolwerk wil passeren, hoeft de deurbel niet eens te proberen. Er wordt niet opengedaan. Ingewijden gebruiken de klopper die ook nog in een zuidamerikaans ritme moet worden bewerkt. Maar zelfs een vlekkeloze imitatie van die roffel garandeert nog geen toegang. Buitenstaanders zijn niet welkom in dit achttiende eeuws pand dat door het ex-parlementslid Sir Neil Thorne zo bereidwillig ter beschikking is gesteld. De talrijke vrijmetselaarsattributen in de woning zouden alleen maar tot onbegrip en vervreemdende foto's leiden. De pers wordt op de stoep te woord gestaan.

Een woordvoerder die wel zijn visitekaartje geeft, maar uitsluitend 'woordvoerder' genoemd wenst te worden, geeft een indruk van het gezelschap dat daarbinnen zweet. Hijzelf is speciaal adviseur van David Hunt, de minister zonder portefeuille, en hij heeft anderhalve week buitengewoon verlof genomen om bij de campagne van Major te helpen. Niet omdat zijn baas dat geëist heeft, maar omdat “deze premier mijn steun verdient”.

Veel van de veertig permanente campagnevoerders zijn ambtenaren, net zoals hij, in dienst van Conservatieve regeringsleden. Zij bestoken de publieke opinie, via de pers, met elke snipper informatie die maar in het voordeel van John Major uitgelegd kan worden. Zij weten ook wel dat het niet de kiezers zijn die morgen stemmen. “Maar veel van de 329 Conservatieve Lagerhuisleden die het morgen voor het zeggen hebben, zijn gevoelig voor de openbare mening”, zegt de woordvoerder. “Ze willen weten uit welke hoek de wind waait. Ze wachten op een teken. Ze stemmen op de kandidaat met wie hun eigen politieke toekomst het best is gediend.”

Het voetvolk van de campagne - speciale adviseurs en politieke ambtenaren - bewerkt niet alleen de omroepen en de kranten, maar ook de regionale partijcoryfeeën. “Soms kan een parlementslid het best overtuigd worden via de voorzitter van zijn kiesdistrict”, legt de woordvoerder uit. “Vooral de lagerhuisleden die bij de laatste verkiezingen maar een krappe meerderheid hadden, durven de mening van hun lokale partijvoorzitter niet goed te negeren. Dus maken we die plaatselijke bestuurders graag duidelijk hoeveel waarde de premier hecht aan hun mening. Lokale voorzitters van de partij zijn doorgaans heel loyaal.”

Het direct benaderen van parlementariërs wordt overgelaten aan hun prominente collega's in het Major-kamp, onder wie tenminste drie minister: Ian Lang, de minister voor Schotland, Brian Mawhinney, de minister van transport, en Michael Howard, de minister voor binnenlandse zaken. Ook John Major zelf heeft zich afgelopen week al herhaaldelijk onder vier ogen of op speciale bijeenkomsten gewend tot zijn fractiegenoten. Hij heeft zich zelfs verwaardigd om samen met hen thee te drinken in de tearoom van het Lagerhuis waar hij al meer dan een jaar niet meer gesignaleerd was. Dat gebeurde op advies van zijn campagneleider, graaf Cranborne, de leider van de Conservatieven in het Hogerhuis, die een grote reputatie heeft in het regisseren van massa-spektakels. Op verzoek van Major heeft hij de organisatie van de D-day en de VE-day festiviteiten aangevoerd.

David Evans, de campagneleider van John Redwood, is uit heel ander hout gesneden. Hij geldt als een typische self made-man. Na zijn carrière als profvoetballer bij Aston Villa begon hij een schoonmaakbedrijf dat hij uitbouwde tot een concern met 30.000 mensen. Een jaar nadat hij die onderneming verkocht, werd hij gekozen in het Lagerhuis. Daar heeft hij vooral naam gemaakt met zijn populistische opinies. Over ontwapening zei hij: “Hoe meer kernwapens hoe beter. Ik vertrouw die Russen niet.” Minderjarige delinqenten noemde hij “ondermaatse Rambo's die maar stelen, verkrachten en moorden” en die “samen met hun ouders achter de tralies horen.”

Als Evans bij zijn campagnecentrum aankomt, lijkt het wel een overval. Hij ziet niks, hoort niks, stormt naar binnen. De bejaarde sergeant die de toegang verspert, kan maar net op tijd een veilig heenkomen vinden. Als hij van de stormloop hersteld is, wil hij een verzoek om een onderhoud met Evans niet eens in behandeling nemen. Niemand mag naar binnen. Niemand komt naar buiten. “De heren hebben voor al die onzin geen tijd.”

Wie in een nabijgelegen broodjesbar toch met de campagnevoerders van Redwood wil spreken, kan heel lang wachten. Behalve penetrante zweetlucht verspreiden ze alleen maar geruchten. “Wist je dat al twintig parlementariërs uit het Major-kamp in het geheim hun steun aan Redwood hebben gegeven?” “Wist je dat onder hen zes kabinetsleden zijn?” Alles is geoorloofd in liefde en in oorlog en bij die ultieme synthese: verkiezingen.