Er zit niets anders op: alle talen werktalen in EU

Veeltaligheid is tegelijkertijd de veelbezongen 'rijkdom van Europa' en een mogelijk struikelblok. In cultureel opzicht is de rijkdom onbetwist. Tijdens het Franse voorzitterschap, vorige week afgerond met de top in Cannes, zijn veel lovende nota's gewijd aan het belang van de culturele diversiteit, die mede door de taalverscheidenheid wordt bepaald. Het vreemde-talenonderwijs wordt ook in de grotere landen van de Europese Unie steeds meer gestimuleerd. En bij het beleid op het terrein van de nieuwe informatietechnologie besteedt de Unie eveneens toenemende aandacht aan de taaldiversiteit. Bestuurlijk is er echter niet alleen reden tot juichen.

De Europese Gemeenschap heeft vanaf het begin principieel gekozen voor de regel dat de bestuurstalen van alle lidstaten officiële talen van de Unie zijn. Vaak wordt deze keuze rechtstreeks gekoppeld aan het democratisch functioneren van de Unie. Deze koppeling spreekt voor zich als het gaat om officiële documenten. Verordeningen en richtlijnen hebben vaak rechtstreekse juridische werking voor de burgers in de lidstaten. Zij moeten dus ook voor alle burgers in hun eigen taal beschikbaar zijn. Ook de officiële politieke communicatie zal natuurlijk in alle talen blijven verlopen.

In veel andere situaties echter is de essentie van het democratische karakter van de EU niet zozeer dat iedereen zich in alle gevallen in zijn eigen taal mag uitdrukken, maar dat burgers uit bepaalde taalgebieden niet in een structurele tweederangspositie mogen raken. Daarover gaat het meestal als wordt gesproken over beperking van het aantal werktalen. De verdragsteksten en verordeningen maken geen onderscheid tussen officiële talen en werktalen. Voor sommigen is dat reden een beperking van het aantal werktalen voor te stellen om uit de problemen te raken die de bestuurlijke veeltaligheid soms veroorzaakt.

Die problemen betreffen niet in de eerste plaats de kosten, hoewel die in de discussie het vaakst worden genoemd. Van het totale budget van de Europese Unie gaat maar 1,5 procent op aan kosten voor vertalen en tolken, zo'n vijf gulden per Europese burger per jaar. Het echte ongemak schuilt veel meer in de organisatorische kant van de zaak - steeds meer tolken en cabines - en in de kwaliteit van de communicatie. Iedereen die ervaring heeft met simultaangetolkte debatten weet dat een bijdrage via een tolk het effect van wat de spreker zegt ongunstig beïnvloedt. Anderzijds is het ook lang niet altijd doeltreffend om dan maar zelf een vreemde taal te gebruiken. (Nederlanders willen zichzelf in dat opzicht nog wel eens overschatten.)

Geen wonder dus dat met enige regelmaat nagedacht wordt over een oplossing voor deze problemen. Maar het kiezen voor een permanente beperking van het aantal werktalen lijkt als middel erger dan de kwaal. Wanneer bepaalde talen tot vaste werktaal worden bestempeld en andere niet, ontstaat voor de laatste talen een structurele tweederangspositie. De moedertaalsprekers van de werktalen zijn dan voortdurend in het voordeel. Zij zullen de benodigde werkdocumenten steeds in de eigen taal ontvangen; zij worden bij onderhandelingen niet gehinderd door taalproblemen; zij hebben bij het verwerven van functies in het EU-apparaat het voordeel van hun moedertaal. Op den duur zou dat onvermijdelijk ook de invloed van de anderstalige lidstaten op het Europese beleid doen afnemen.

Hoe groter het aantal werktalen in zo'n beperkt regime is - bij de instelling van het Europees Merkenbureau werd gekozen voor vijf - hoe sterker die bezwaren zich doen voelen. De groep die sterk in het voordeel is, wordt dan steeds groter ten opzichte van de benadeelde groep. Tegelijkertijd wordt de financiële en organisatorische winst steeds kleiner. Het kostenverschil tussen het gebruik van vijf en elf talen is niet opzienbarend.

Die bezwaren zouden grotendeels wegvallen als er gekozen werd voor één werktaal. Dat zou bovendien echte bestuurlijke efficiëntie kunnen opleveren en echt kosten kunnen besparen. Het Engels zou dan de enige voor de hand liggende keuze zijn. Engels is immers op wereldschaal de meest gebruikte lingua franca, in allerlei maatschappelijke sectoren. Engels is - mede om die reden - de meest gekende en onderwezen tweede taal in alle lidstaten van de Europese Unie. Het aantal moedertaalsprekers in de EU zou met 60 miljoen op een totaal van ruim 300 miljoen verre in de minderheid zijn.

Waarschijnlijk zou een dergelijke keuze dan ook acceptabel zijn voor alle lidstaten, op één na. Die ene is Frankrijk, dat zijn taal onder geen beding als werktaal wil opgeven. En omdat Frankrijk dat niet wil, kan Duitsland - met het grootste aantal moedertaalsprekers in de EU, en de grootste financiële bijdrage - niet achterblijven: met alleen Engels en Frans als werktalen zal Duitsland niet instemmen. Vervolgens willen Italië en Spanje beslist bij de 'grote talen' horen, en Frankrijk steunt hen daarin om het zwaartepunt van de Unie wat meer naar het zuiden te trekken. Voor diegenen die luchthartig denken over het opgeven van de eigen taal, is het goed zich te realiseren dat al deze landen machtspolitieke overwegingen hebben om vast te houden aan het gebruik van hun taal in Europa.

Onder deze omstandigheden rest daarom maar één oplossing: alle talen blijven werktalen. Elke andere keuze heeft een ondemocratische uitwerking en druist in tegen de belangen van de lidstaten waarvan de taal geen deel zou uitmaken van een werktalenregime. De kostenbeheersing en de organisatorische doelmatigheid dienen dan ook te worden gezocht in andere maatregelen. Het indammen van de documentenstroom en het stellen van prioriteiten bij de te vertalen teksten zijn voor de hand liggende, maar nog nimmer echt beproefde recepten. Technologische mogelijkheden moeten beter worden benut en verder worden ontwikkeld, zowel voor het vertalen als voor het tolken. En in de gesproken communicatie moet in een aantal gevallen een pragmatische, functionele keuze worden gemaakt voor een beperkt aantal te gebruiken talen. Functioneel kan de ene keer een beperking tot Grieks, Portugees, Duits en Engels betekenen, de andere keer een beperking tot Frans, Italiaans, Nederlands en Deens. Op die manier ontstaat er geen statusverschil tussen permanent bevoordeelde en permanent benadeelde talen.

Ook met deze maatregelen wordt het systeem van veeltalig bestuur nog geen ideaal systeem. Maar onder de gegeven omstandigheden is het wel - net als de democratie - het minst slechte dat we hebben.