Universiteiten moeten investeren in doceertalent

Als tegendienst voor de verhoging van het collegegeld hebben de universiteiten Ritzen moeten beloven dat ze de kwaliteit van het onderwijs drastisch verbeteren. Bram Kempers vindt dat het hiervoor gereserveerde half miljard geïnvesteerd moet worden in jonge geleerden (de docenten van de toekomst) en in een goed spoorboek van het landelijk onderwijsaanbod.

Een mooi woord is het niet: 'studeerbaarheid', en niemand weet wat het precies betekent. Onze woordenboeken bieden wel studeerkamer en studeervertrek, of studeerlamp en studeercel. Studeerbaar noch studeerbaarheid komen er in voor. Wat het woord ongeveer betekent weten we inmiddels wel: er wordt een streven naar verbetering van de kwaliteit van de universitaire cursussen mee aangeduid.

Maar zo vaag als het begrip nog is, zo voortvarend wordt ermee gewerkt. Van overheidswege is een half miljard voor de studeerbaarheid gereserveerd. Er is een stuurgroep aan het werk die zich buigt over de besteding van het 'studeerbaarheidsfonds', waarin vertegenwoordigers van de belangrijkste organisaties uit het wetenschappelijk onderwijs, het beroepsonderwijs en de studentenwereld (VSNU, HBO-Raad, LSVB en ISO) zitting hebben. Er gaan brieven, nota's en rapporten rond over studiebegeleiding en onderwijskwaliteit, hetgeen ook op het niveau van universiteiten en faculteiten merkbaar is. Kortom, het beleid draagt bij tot de verdere verbreding van een bestuurslaag die zich bezighoudt met onderwijs, maar dit zelf niet geeft.

Als bijdrage aan de nog nauwelijks op gang gekomen publieke discussie over 'studeerbaarheid' wil ik op grond van directe ervaringen in het wetenschappelijk onderwijs op het terrein van geesteswetenschappen en maatschappijwetenschappen twee voorstellen in overweging geven.

Ten eerste: besteed het leeuwedeel van dat halve miljard aan de aanstelling van drie categorieën jonge geleerden: gevorderde studenten, studenten die een vierjarige studie achter de rug hebben en een proefschrift willen schrijven, en vervolgens aan degenen die dat met succes hebben gedaan. De laatste twee categorieën zijn aio's, oio's en post-docs in het huidige jargon. Ten tweede: besteed de rest aan effectieve voorlichting in de vorm van studiegidsen en een nationaal rooster, kortom maak een goed wetenschappelijk spoorboek. De meeste studie-onderdelen en de meeste programma's zijn de laatste jaren uitvoerig geëvalueerd en er zijn opleidingscommissies die in samenspraak met studenten goed werk doen om te zorgen dat er wat met die evaluaties gebeurt. Het meeste onderwijs blijkt ruim voldoende te zijn en er bestaat een redelijk goede controle op basis van wetenschappelijk geweten, onder toeziend oog van studenten in opleidingscommissies en collega's in visitatiecommissies. De tijdelijke en vervolgens eventueel vaste benoeming van docenten is het primaire moment van toetsing. Daarna is een vrijwillige en aan eigen ambitie ontspruitende behoefte tot verbetering verreweg het beste middel, veel effectiever dan een door functionarissen ontworpen en uit te voeren ambtelijke procedure. Wat nu niet deugt en alle correcties heeft weerstaan, dat wil zeggen: de medemens met een vaste baan die lui is, geen les kan geven of daarin geen zin meer heeft, wordt door een studeerbaarheidsoffensief niet ineens wel goed.

Het is zinniger te investeren in de toekomst, namelijk in studenten die later goede docenten kunnen worden. Die zullen we hard nodig hebben wanneer na het jaar 2000 de gemiddelde leeftijd van het universitaire docentencorps de zestig zal naderen. Voor aanstellingen van veelbelovende geleerden is zo een relatief eenvoudig en goedkoop toedelingsmechanisme mogelijk: nieuwe werkgelegenheid. Vervolgens levert dit een forse besparing op bij de wachtgelden van de huidige aio's en post-docs. Die wachtgelden vormen een substantieel en tot dusverre onoplosbaar probleem in het hoger onderwijs. Aanstelling van veelbelovende geleerden voorkomt verder de buitensporig pijnlijke kapitaalvernietiging die thans plaats vindt doordat jongeren hun bekwaamheden niet in praktijk kunnen brengen en verder kunnen ontwikkelen. Er wordt thans op een schandalige manier cultureel kapitaal vernietigd.

Bovendien biedt zo'n besteding aan aanstelling van jongeren een oplossing voor een ander probleem: de slechte aansluiting tussen middelbaar onderwijs en wetenschappelijk onderwijs. Directe begeleiding, met name bij werkstukjes, leeronderzoeken en mondelinge presentaties door mensen die vijf tot vijftien jaar ouder zijn, is veel beter dan het toedelen van deze taken aan hoofddocenten en hoogleraren die daarvoor, in de mate waarin deze taken gewenst zijn, te duur zijn, vaak al overbezet zijn en soms ook te oud. Op deze taken raak je, na het jaren met verve en toewijding te hebben gedaan, een keer uitgekeken omdat je er niet veel meer van opsteekt. Het is beter 'teams' te creëren van jongeren en ouderen, waarbij de senior-docenten zich toeleggen op hoorcolleges geven, leerplannen ontwikkelen en leerboeken schrijven, terwijl de junioren meer directe contacten met studenten onderhouden in voortdurende en persoonlijke begeleiding.

Corrigerend optreden jegens stafleden met een vaste baan die slecht lesgeven en weinig publiceren is gegeven het huidige ambtenarenrecht vrijwel onmogelijk. Toereikende sancties ontbreken. Cursussen, functioneringsgesprekken, projecten voor onderwijsvernieuwing zijn er al, en uiteindelijk stranden al deze correctiemiddelen op de onmogelijkheid vast personeel te ontslaan op grond van onbekwaamheid ter zake van de kerntaken van onderwijs en onderzoek. Dit moet je ofwel aanvaarden, of het ministerie van OCW zou in samenspraak met de colleges van bestuur en de ambtenarenbonden aan die verworven rechten moeten gaan tornen. Maar dat vergt een ander betoog dan ik hier wil houden.

Veel meer rendement is te verwachten van de broodnodige nieuwe benoemingen. Studenten krijgen betere beroepsperspectieven en ze kunnen beter onderwijs krijgen, terwijl de uit meerdere geledingen bestaande tussengroep ook goed onderwijs krijgt door samenwerking met senior-docenten. Die beheersen het moeilijke genre van het grote hoorcollege, dat mits goed gegeven en ondersteund door werkstukken die ook worden nagekeken alvorens te tentamineren, heel adequaat kan zijn. Zij kunnen ook onderwijsprogramma's op tijd vernieuwen en verbeteren. Senior-docenten kunnen daarbij de persoonlijke begeleiding op zich nemen van hun junior-onderwijsmedewerkers, een nieuwe variant van de geheel ten onrechte, naar nu blijkt, afgeschafte positie van 'kandidaats-assistent'. Voor velen onder de huidige staf, ook vele hoogleraren, was het kandidaatsassistentschap het begin van hun loopbaan.

Het hier voorgestelde aanstellingsbeleid kan tevens voorzien in een oplossing voor nog een probleem. Gevestigde stafleden kijken nogal eens met jaloezie naar hun jongere collega's die zich op onderzoek kunnen concentreren, wat voor henzelf vaak moeilijk is gezien onderwijs- en bestuurstaken. Aio's en post-docs geven vaak graag onderwijs, maar komen daar weinig aan toe door de druk op dissertatie en tweede boek, inherent aan de aard van hun aanstelling. Het uitblijven van substantiële vervolgpublikaties na een dissertatie is een structureel probleem, individueel en voor de organisatie. De sterk toegenomen internationale concurrentie aan de top maakt dit alles extra pijnlijk: in steeds meer vakken geldt publiceren in de eigen taal in Nederlandse tijdschriften en bij Nederlandse uitgevers als niet meer toereikend. Herstel van de eenheid van onderwijs en onderzoek dient voor zowel jongeren als ouderen te geschieden en dat kan met één adequaat benoemingsbeleid.

De nieuwe aanstellingen zouden moeten passen in een - althans voor de geesteswetenschappen en maatschappijwetenschappen waartoe mijn directe ervaring zich beperkt - vereenvoudiging van het stelsel van hoofd- en bijvakken, specialisaties en afstudeerstudierichtingen. Per faculteit zou je minder gespecialiseerde programma's moeten aanbieden: enkele studies op hoofdlijnen met na vier jaar een volwaardige tweede fase die specialisatie mogelijk maakt. In zo'n vier- of vijfjarige periode schrijft men een boek en enkele artikelen en geeft men onderwijs. Niet alles hoeft meteen een baan te worden. Overweging verdient een beloningssysteem ten gunste van mentoren in geld, boekenbonnen, reizen en onderzoeksfaciliteiten. Voor de tweede fase kan gezocht worden naar een vorm die onkostenvergoeding, beurs en baan combineert. Flexibilisering van arbeidsrelaties is ook in de wetenschap onvermijdelijk en, mits doordacht, nuttig.

Het 'studeerbaarheidsfonds' kan voorts bijdragen tot het wegwerken van enkele administratieve problemen. Wat meer tijd en geld voor het maken van goede studiegidsen zou enorm helpen. De informatievoorziening over het onderwijsaanbod in Nederland - inclusief het lezingencircuit en het onderwijs voor ouderen, het zogenaamde 'aanschuifonderwijs' - vertoont nog weinig samenhang. Er zijn te veel onafhankelijk van elkaar geproduceerde gidsen en dat is er met de onderzoeksscholen alleen maar erger op geworden: iedereen zijn eigen bulletin. Om iets simpels te noemen, wie in Amsterdam wil weten wat er te horen is op het gebied van cultuurgeschiedenis verdwaalt in een doolhof van affiches, A-viertjes, studiegidsen en bulletins, voordat hij of zij tot een keuze kan komen. Kortom er moeten betere spoorboekjes komen voor het wetenschappelijk onderwijs: in druk en op schijf.

Dit brengt mij op enkele praktische problemen bij de uitwisseling van studieonderdelen door verschillen per instelling in omvang van modules, begin- en eindtijden, lengte van semesters of trimesters en uiteenlopende tentamenperioden. Taakverdeling en concentratie, zoals het officieel heette, zijn te zeer ingevoerd als bezuinigingsoperaties, en te weinig als een reële afstemming van onderwijsaanbod in een nationaal verband binnen een land met geringe reistijden en grote gelijkvormigheid in onderwijs.

Hoofdzaak is besteding van zoveel mogelijk geld aan iets waar de studenten direct van profiteren en waarbij ook de docenten baat hebben, respectievelijk mentoren, promovendi en recent gepromoveerden. Dit betekent zo min mogelijk procesbegeleiders erbij die je van je werk houden met nog meer evaluaties, enquêtes, commissies, cursussen en projecten dan er nu al zijn. We werken op de universiteit omdat we graag onderwijs geven en het spannend vinden om onderzoek te doen; dat doen de meesten van ons gewoon goed, en enkelen voortreffelijk. Aan die paar overgebleven stafleden die slecht onderwijs geven, niet hard werken en hun onderzoek verwaarlozen moet je zo weinig mogelijk aandacht schenken.