Rodeo

DIRK JOHNSON: Biting the Dust: The Wild Ride and Dark Romance of the Rodeo Cowboy and the American West

239 blz., Simon & Schuster 1995, ƒ 48,40

Als er één figuur is waarin Amerika zijn wortels en zijn ziel herkent, dan is het wel de cowboy. Het geeft niet dat er allang geen cowboys meer zijn, behalve in de Marlboro-reclame: naarmate de rest van Amerika drukker, vuiler en bozer wordt, neemt de aantrekkingskracht van dit symbool van vrijheid en mannelijkheid en wat ooit wide open spaces waren alleen maar toe. Het evenement dat als geen ander die ruige romantiek hoog houdt, is de rodeo. Dirk Johnson, journalist in Denver voor The New York Times, is een jaar lang meegetrokken met de professionele rijders langs het rodeo-circuit en heeft er een boek over geschreven, Biting the Dust. The Wild Ride and Dark Romance of the Rodeo Cowboy and the American West.

Rodeo kent verschillende evenementen waar de cowboys zich voor kunnen inschrijven. Acht seconden lang blijven zitten op een steigerend paard of op een stier, bijvoorbeeld, of met een touw een kalf of een stier vangen en vastbinden. Het is een vorm van spektakel dat het midden houdt tussen sport en circus, maar dat spannender - want gevaarlijker - is. In hun poging genoeg prijzengeld te winnen om hun gezin te onderhouden leggen de rijders enorme afstanden af; om die wilde rit van acht seconden mee te maken rijden ze vaak hele nachten door om nu eens in Utah, dan weer in New Mexico of Wyoming of Montana aan een rodeo deel te nemen. De enkeling aan de top verdient er grote bedragen - op het jaarlijkse hoogtepunt in Las Vegas bedragen de prijzen soms tientallen duizenden dollars - maar de meesten kunnen er amper van leven, laat staan als ze, zoals regelmatig gebeurt, ernstig letsel oplopen. Uit Johnsons boek krijg je de treurige indruk, dat de veelal ongeschoolde rodeo-cowboys in de valkuil van hun eigen romantiek zijn gelopen: de meesten zijn op boerderijen opgegroeid en zien de rodeo als een broodwinning die dichterbij het 'echte' leven staat dan een huis in de stad en een baan aan de lopende band.

Vanuit zijn standplaats Denver ziet Johnson hoe het Westen steeds leger raakt en verdwijnt: woonde een eeuw geleden bijna de helft van alle Amerikanen op een boerderij, nu is dat minder dan één procent. De ene na de andere boerderij gaat over de kop en wordt vervolgens door een filmster opgekocht als tweede huis. Het cowboy-gebied wordt één groot themapark. “De cowboy is chic geworden,” schrijft Johnson zuur, “of in ieder geval zijn kleding.”

Johnson wekt de indruk dat hij de harde en vaak trieste werkelijkheid wil laten zien achter de mythe van de rodeorijder, maar net als de mannen die hij beschrijft is hij ten prooi gevallen aan de romantiek. De afstand die je van een journalist van een gerenommeerde krant zou verwachten, heeft hij wel heel makkelijk opzij geschoven terwille van een kleffe sentimentaliteit. Er is bijvoorbeeld veel kritiek op de rodeo vanwege de vermeende mishandeling van de dieren, maar in plaats van daar serieus op in te gaan ridiculiseert hij de critici.

Johnson heeft zich een ronkende stijl aangemeten waarin de overrijpe tweeklanken, de goedkope metaforen en de opdringerige alliteratie van de eerste de beste lokale disc jockey doorklinken. Dat is erg jammer, want de levensverhalen van de cowboys die hij heeft leren kennen, zijn hard, wrang en fascinerend. Dit had het verslag kunnen, en moeten, zijn van het uitsterven van een ras en daarmee van een belangrijke component van Amerika's zelfbeeld.

    • Tracy Metz